Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-
Burgerlijk wetboek - boek 1 - personenrecht en familierecht
artikel 228 - rechtspraak

LJN: AP1439, Hoge Raad , R03/122HR

Datum uitspraak: 24-09-2004
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Inhoudsindicatie: 24 september 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/122HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoekster], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen. 1. Het geding in feitelijke instanties...





Uitspraak

24 september 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R03/122HR
JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.





1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 15 mei 2002 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de grootmoeder - zich gewend tot die rechtbank en verzocht de adoptie van [het kind] - verder te noemen: het kind - uit te spreken.
De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 21 oktober 2002. Hierbij zijn gehoord de grootmoeder, de moeder van het kind en de advocaat van de grootmoeder.
De rechtbank heeft bij beschikking van 4 december 2002 het verzoek tot adoptie afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de grootmoeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 10 juli 2003 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.





2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de grootmoeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-rekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de grootmoeder heeft bij brief van 18 juni 2004 op die conclusie gereageerd.





3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De grootmoeder is moeder van [de moeder] (de moeder), uit wie is geboren [het kind] (het kind). Het kind is verwekt bij een aanranding; van de aanranding is geen aangifte gedaan. De verwekker weet niet dat hij de vader van het kind is. De moeder heeft het gezag over het kind. Het kind wordt vanaf de geboorte verzorgd en opgevoed door de grootmoeder. De moeder heeft de eerste negen levensjaren van het kind bij de grootmoeder en het kind in huis gewoond. Het kind is verstandelijk gehandicapt en is niet op de hoogte van het feit dat de grootmoeder niet haar moeder is.

3.2 In dit geding heeft de grootmoeder de rechtbank verzocht de adoptie van het kind door haar uit te spreken. In het licht van de bijzondere omstandigheden van het geval beriep zij zich daartoe met name op art. 8 EVRM.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, daartoe overwegend dat adoptie niet een door het EVRM beschermd recht is en dat het verzoek niet voldoet aan de door de wet voor adoptie gestelde voorwaarden.
Het hof heeft deze beschikking bekrachtigd. Het hanteerde daartoe in de kern dezelfde gronden als de rechtbank.

3.3 Het tegen deze beslissing gerichte middel kan geen doel treffen. Terecht heeft het hof overwogen dat art. 1:228 lid 1, aanhef en onder b, BW, dat als voorwaarde voor adoptie stelt dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant, zich tegen toewijzing van het verzoek verzet. Deze bepaling is, nadat aanvankelijk schrapping daarvan was overwogen, uiteindelijk welbewust door de wetgever gehandhaafd, zulks blijkens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van enige bepalingen betreffende de adoptie in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:
"Voorwaarde voor adoptie is blijkens art. 228, onder b, boek 1 BW, dat het kind niet is een wettig of natuurlijk kind van een der adoptanten of van een wettig of natuurlijk kind van een van hen. De adoptie (...) door de grootouders van hun kleinkind is hiermee uitgesloten.

Het voorontwerp voorzag erin dit adoptieverbod in zijn geheel te doen vervallen. Gelet op de omstandigheid dat het College van Advies voor de kinderbescherming de kleinkinderadoptie met de grootst mogelijke meerderheid heeft afgewezen - het college vreest identiteitsproblemen in de (groot)ouder-kind-relatie en acht het gevaar van grootouder-usurpatie niet denkbeeldig - heb ik gemeend de mogelijkheid van adoptie van kleinkinderen niet in het thans ingediende ontwerp te moeten opnemen." (Kamerstukken II, 1977/78, 14824, nrs. 1-3, blz. 5-6).

Nadat de leden van de fractie van de Partij van de Arbeid erop hadden gewezen dat grootouders in een groot aantal gevallen aan het leeftijdvereiste van art. 1:228, aanhef en onder c, BW zullen voldoen, in het licht waarvan hun niet duidelijk was waarom de mogelijkheid van adoptie door grootouders niet was voorgesteld, handhaafde de minister bij memorie van antwoord zijn standpunt:
"Ik ben van mening dat adoptie door de grootouders van hun kleinkind niet mogelijk behoort te worden gemaakt. Hieraan doet niet af dat veel grootouders aan de voorwaarde van artikel 228, onder c, zouden voldoen. De - ook voor mij doorslaggevende - reden om adoptie door grootouders niet mogelijk te maken is een andere: de door het College van Advies voor de Kinderbescherming voorziene identiteitsproblemen in de (groot)ouder-kind-relatie en het gevaar van grootouder-usurpatie" (Kamerstukken II, 1978/79, 14824, nr. 6, blz. 4).

Terecht heeft het hof zich niet vrij geacht deze uitdrukkelijke en weloverwogen in de wet gehandhaafde bepaling opzij te zetten op grond van de bijzondere omstandigheden van het gegeven geval.

3.4 Eveneens terecht heeft het hof overwogen dat de zojuist aangehaalde wettelijke bepaling niet in strijd is met art. 8 EVRM. Aan deze bepaling (en aan art. 12 EVRM) kan wel het recht op de bescherming van het tussen ouders en een door hen geadopteerd kind bestaand gezinsleven worden ontleend, doch niet het recht om een kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de door de wet voor adoptie gestelde eisen (HR 30 juni 2000, nr. R 99/181, NJ 2001, 103). De Europese Conventie garandeert immers niet een recht op adoptie (EHRM 26 februari 2002, EHRC 2002, 30, ß 32).

3.5 Voor zover het middel over vorenstaande beslissingen klaagt, faalt het op de bovengenoemde gronden.
Ook de overige in het onderdeel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu deze klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.





4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.





Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 24 september 2004.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl