Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BN5556, Rechtbank Haarlem , 167858 / FA RK 10-1002

Datum uitspraak: 04-06-2010
Inhoudsindicatie: Verhuizing van regio Noord-Holland naar regio Brabant, verzoek van moeder toegewezen.





Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel
familie- en jeugdrecht

geschillenregeling art. 1:253a BW

zaak-/rekestnr.: 167858 / FA RK 10-1002

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 4 juni 2010

in de zaak van:

[naam moeder],
wonende te: [plaats]
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.E. Vande Voort, kantoorhoudende te Badhoevedorp,

tegen

[naam vader],
wonende te: [plaats],
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. J.M. Veldkamp, kantoorhoudende te Amsterdam.





1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw van 21 maart 2010, ingekomen op 24 maart 2010;
- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, van de man van 26 april 2010;
- de brief met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 26 april 2010;
- de fax met bijlagen van de advocaat van de man van 29 april 2010.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 april 2010 in aanwezigheid van partijen bijgestaan door hun advocaten. Mr. Vande Voort heeft haar standpunt uiteengezet aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie





2. Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1998 met elkaar gehuwd.
Uit het huwelijk zijn geboren de minderjarigen [naam]:
- [naam kind 1], geboren op [datum] 1999;
- [naam kind 2], geboren op [datum] 2002;
- [naam kind 3], geboren op [datum] 2004.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen.

In augustus 2003 zijn partijen van [plaats A] naar [plaats B] verhuisd. De vrouw heeft haar baan in Brabant in verband daarmee opgezegd. Zij is in [datum] 2006 in dienst getreden als stewardess bij [naam werkgever]. Op dit moment werkt zij 18 tot 20 uur per week.

2.2 Partijen zijn sinds eind mei 2008 feitelijk uit elkaar. Aanvankelijk woonde de man elders in [plaats B] en per februari 2010 is hij bij zijn nieuwe partner gaan wonen in [plaats]. Deze nieuwe partner is gescheiden en heeft kinderen met haar ex-man, die in [plaats] woont.

2.3 Bij beschikking voorlopige voorzieningen (167746/10-958) van 28 april 2010 heeft deze rechtbank, voorzover hier van belang, bepaald dat:
- de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning
- de minderjarigen voorlopig zullen worden toevertrouwd aan de vrouw.
Inmiddels is door de vrouw een echtscheidingsverzoek aanhangig gemaakt.

Vast staat dat partijen na hun uiteengaan in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een omgangsregeling overeen zijn gekomen op grond waarvan de minderjarigen de ene week van donderdag 15.30 uur tot maandagochtend naar school en de andere week van donderdag 15.30 uur tot vrijdagochtend naar school bij de man verblijven.





3 Het verzoek van de vrouw en de grondslag daarvan

3.1 De vrouw heeft op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek verzocht de vader te veroordelen om zijn toestemming te verlenen voor de verhuizing van de minderjarigen met de vrouw naar de omgeving van [plaats] en hun schoolgang aldaar. Subsidiair heeft de vrouw verzocht om een verklaring van vervangende toestemming van de rechtbank daartoe.

3.2 De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangegeven aankomende zomer naar de regio [plaats] te willen verhuizen. In [plaats] kan zij met haar inkomen per 1 juli aanstaande een woning huren die qua grootte vergelijkbaar is met wat de kinderen tot op heden gewend zijn. Die mogelijkheid heeft zij in de regio [plaats B] niet vanwege de beduidend hogere prijzen. Een andere reden om te verhuizen is de nabijheid van haar familie en andere sociale contacten. De vrouw is daar opgegroeid en puur wegens de wijziging van standplaats van de werkgever van de man in 2003 naar [plaats B] verhuisd.

3.3 De vrouw heeft naar voren gebracht dat partijen al sinds september 2008 bezig zijn de gevolgen van hun echtscheiding in onderling overleg te regelen. Zij zijn hiervoor bij een mediator geweest en hebben later beiden een eigen advocaat ingeschakeld. Er is overeenstemming bereikt over een zorgregeling welke in een ouderschapsplan is neergelegd. De vrouw deelt de zienswijze van de man over de ďgedeelde zorgĒ tijdens het huwelijk niet. Het grootste deel van de zorg en opvoeding van de kinderen kwam op de vrouw neer. Vanaf het moment dat de man aankondigde te willen scheiden, heeft zij duidelijk aangegeven dat zij naar haar ďrootsĒ terug wilde verhuizen. De man heeft in de zomer van 2009 toestemming gegeven voor een dergelijke verhuizing buiten de regio [plaats B]. De vrouw is vervolgens concrete stappen gaan ondernemen zoals het zoeken van woonruimte en het zich oriŽnteren op scholen en sportclubs voor de kinderen. Haar plan was om in de zomer van 2010 te verhuizen zodat de! kinderen met ingang van het nieuwe schooljaar 2010/2011 in Brabant zouden kunnen instromen. In februari 2010 heeft de man - zeer onverwacht - zijn toestemming voor de verhuizing ingetrokken. De vrouw is van oordeel dat zij er op heeft mogen vertrouwen dat de man zich aan zijn toezegging zou houden.

3.4 De vrouw stelt voor dat de omgangsregeling tussen de kinderen en hun vader in de nieuwe situatie gewijzigd wordt in die zin dat de frequentie hetzelfde blijft maar de vorm anders. Voor wat betreft vakanties kan de huidige regeling blijven bestaan. Per saldo is er dan even veel omgang als nu het geval is. De man heeft er zelf ook voor gekozen een nieuwe start te maken en wel in [plaats]. De vrouw ziet niet in waarom zij dan gehouden zou zijn in [plaats B] te blijven wonen. Verder zal de reistijd voor de man niet extreem verhoogd worden. De afstand [plaats-plaats] is 32 autominuten en dat wordt 13 minuten langer naar [plaats].





4 Het verweer en het zelfstandige verzoek van de man

4.1 De man heeft het verzoek van de vrouw gemotiveerd bestreden omdat hij het niet in het belang van de kinderen acht dat zij naar Brabant verhuizen. Hij voert daartoe aan dat het contact tussen de kinderen en hem geschaad wordt bij een dergelijke verhuizing. De man geeft aan dat de zorg voor de kinderen tijdens hun samenzijn gelijk verdeeld was. Hij had weliswaar een drukke baan, maar combineerde een en ander met de zorg voor de kinderen. De vrouw had (en heeft) een baan met onregelmatige diensten.
[naam kind 1] zit nu in groep 7 van de basisschool en moet zijn school in [plaats B] kunnen afmaken. De kinderen zullen als de verhuizing doorgang vindt uit hun vertrouwde omgeving (school, buurt, sport en vriendjes) worden gehaald. Hun hele sociale leven ligt daar. Door partijen is destijds bewust gekozen voor [plaats B] vanwege de kwaliteit van leven, het niveau van de scholen, omgeving en natuur.
De verzorging van de kinderen zal na verhuizing gedeeltelijk worden toevertrouwd aan grootmoeder en de broer van de vrouw, waar de man geen vertrouwen in heeft. Hij acht dit geen acceptabel alternatief voor zijn innige dagelijkse contact met de kinderen.

4.2 De man betoogt dat voortzetting van de huidige zorgregeling (waarbij hij 38% van de zorg op zich neemt) vanwege de afstand na de verhuizing onmogelijk wordt, wat in strijd is met het belang van de kinderen bij een goed contact met hun vader. Hij wil graag nauw betrokken blijven bij de opvoeding van de kinderen, hun school en hun sportactiviteiten. Hij is nu hockeycoach van [naam kind 2]. De voorgestelde verhuizing zou inhouden dat er een langere reistijd voor de man zal zijn in verband met omgang (enkele reis vanaf [plaats] naar [plaats] is 78 km en naar [plaats B] slechts 45 km per enkele reis). De vrouw gaat voorbij aan het feitelijk probleem dat de route naar haar gewenste woonplek een filegevoelig traject is. Bovendien reist de man op dit moment vaak vanaf zijn werkplek in [plaats] richting [plaats B] en niet zozeer vanuit [plaats], hetgeen heel goed bevalt.

4.3 Voorts betwist de man de noodzaak van moeders verhuizing. Hij vindt dat de belangen van de vrouw bij verhuizing niet opwegen tegen het belang van de kinderen om beide ouders in de buurt te hebben. De vrouw wil naar zijn overtuiging alleen verhuizen omdat zij zelf meent gelukkiger te worden in Brabant. FinanciŽle redenen zijn er niet; zij kan best een betaalbare woning vinden in (de omgeving van) [plaats B]. Hij heeft de vrouw in dit verband aangeboden zijn helft van de bij verkoop van de voormalige echtelijke woning vrijkomende overwaarde te lenen, zodat zij meer financiŽle armslag heeft. Dit wil zij niet.
De man geeft aan dat hij op een bepaald moment inderdaad toestemming heeft gegeven voor de verhuizing, omdat toentertijd alle echtscheidingsonderhandelingen vastliepen vanwege dit discussiepunt. Hij heeft toen aangegeven dat hij zich er niet langer tegen zou verzetten mits over alle te regelen gevolgen van de scheiding overeenstemming zou worden bereikt. Pas later heeft hij zich gerealiseerd welke gevolgen dit zou hebben voor de praktische invulling van zijn zorgtaak, bijvoorbeeld dat hij niet anders kan dan de kinderen reeds op zondagavond terugbrengen omdat maandagochtend naar school brengen niet langer haalbaar is. Zijn werk zou dan in het gedrang komen en het is te vermoeiend voor de kinderen om voor dag en dauw in de auto te moeten stappen.
Hij is het niet eens met de door de vrouw geboden oplossingen en alternatieven voor zijn omgang met de kinderen (zoals een extra weekend per maand). Hij wil juist niet alleen weekendvader zijn.
De vader vindt dat de vrouw te weinig overleg heeft gevoerd over deze kwestie en eenzijdig voorbereidingen treft, hetgeen in strijd is met wat zij hebben afgesproken in het ouderschapsplan.

4.4 De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan het voortduren van de bestaande zorgregeling, waarbij de kinderen in [plaats B] naar school gaan. Subsidiair heeft de man, voor het geval dat de vrouw daadwerkelijk haar plannen zal doorzetten, verzocht om te bepalen dat de kinderen vanaf dat moment hun hoofdverblijfplaats hebben bij hem, met vaststelling van een nader door partijen af te spreken omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen.





BEOORDELING

5.1 De ouders hebben gezamenlijk gezag over de minderjarigen. Dit brengt mee dat de vrouw voor het wijzigen van de woonplaats van de minderjarigen en voor hun inschrijving op een andere (basis)school in beginsel toestemming van de man behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, kan het geschil worden voorgelegd aan de rechter op de voet van artikel 1: 253a BW.

5.2 De rechtbank constateert dat zowel de vader als de moeder begaan zijn met hun kinderen en het beste met hen voor hebben. Beide ouders worden in staat geacht om op een goede wijze in de verzorging en opvoeding van hun kinderen te voorzien. Ter zitting is echter gebleken dat de standpunten van partijen haaks op elkaar staan en zij te dier zake niet tot een vergelijk kunnen komen.

5.3 Om een beslissing te kunnen nemen in het kader van artikel 1:253a BW dienen de belangen van de minderjarige een eerste overweging van de rechtbank te vormen. Echter, conform de vaste rechtspraak (onder meer Hoge Raad 25 april 2008, LJN BC5901) dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen, waaronder:
- het recht en belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuÔteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin het geworteld is in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.


5.4 Het is een feit van algemene bekendheid dat verbreking van de continuÔteit van woon- en sociale leefomgeving voor een kind ingrijpend is. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de kinderen hoe dan ook zullen moeten verhuizen. De echtelijke woning staat al enige tijd te koop omdat geen van partijen deze wil/kan blijven financieren na de echtscheiding. De noodzaak van verhuizing is dus een gegeven.

5.5 De vrouw beroept zich op de hoofdregel dat het haar, als ouder bij wie de kinderen in overwegende mate verblijven, toegestaan is om met de kinderen (naar Brabant) te verhuizen. De man betwist dat onder verwijzing naar de bestaande zorgregeling die volgens hem neigt naar co-ouderschap en daarmee een uitzondering vormt op voornoemde hoofdregel.
De tussen partijen afgesproken zorgregeling (waarbij de kinderen de ene week van donderdag 15.30 uur tot maandagochtend naar school bij de man verblijven en de andere week van donderdag 15.30 uur tot vrijdagochtend naar school), kwalificeert de rechtbank niet als een co-ouderschapregeling. Daarvoor neemt de man te weinig deel aan de dagelijkse gang van zaken rondom de kinderen. Dit blijkt alleen al uit het feit dat hij in [plaats] woont en fulltime werkt in Amsterdam, terwijl de vrouw met de kinderen in [plaats B] woont en haar parttime baan als stewardess zelf per week indeelt.

Voor de rechtbank is vast komen vast te staan dat het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid voor de kinderen tijdens het samenzijn en ook na het feitelijk uiteengaan van partijen bij de vrouw heeft gelegen. In dat licht bezien past het binnen haar zorgtaak dat zij ruimte krijgt om daaraan invulling te geven, in beginsel ook indien zij haar leven en het leven van de kinderen elders voort wil zetten. De vrouw moet in deze geacht worden een zekere beslissingsvrijheid te hebben.
Dat de belangen van de vrouw en de man daarbij niet altijd parallel zullen lopen is evident. De rechtbank heeft ook zeker oog voor het belang van de man bij voorzetting van de huidige omgangsregeling met de mogelijkheid om doordeweeks omgang met de kinderen te hebben. Getoetst moet echter worden of het belang van de kinderen zich tegen de voorgenomen verhuizing naar [plaats] verzet.

5.6 Gebleken is dat de vrouw de man vanaf hun relatiebreuk al duidelijk heeft gemaakt dat zij wilde verhuizen naar Brabant. De man erkent dit, onder meer in punt 9 van zijn verweerschrift. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank de verhuizing grondig en weloverwogen voorbereid. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat zij bij haar zoektocht naar andere woonruimte wel degelijk rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen en hun vader. Zij heeft onderzocht of wonen in [plaats B] voor haar haalbaar zou zijn. Ter onderbouwing zijn stukken overgelegd waaruit de verschillen in woningprijzen blijken.
Ter zitting heeft de man desgevraagd erkend dat de woningen in [plaats B] over het algemeen duurder zijn dan in Brabant en dat de vrouw zich geen koopwoning in [plaats B] kan veroorloven. De man voegt daar echter aan toe dat de vrouw wel net buiten [plaats B] kan gaan wonen. De rechtbank is van oordeel dat de man dit in redelijkheid niet van de vrouw kan verlangen omdat dit een te grote inbreuk zou maken op het recht van de vrouw om, net als de man, na het beŽindigen van hun huwelijk weer zelfstandig een eigen leven te gaan leiden. Evenmin kan van haar verwacht worden dat zij middels een lening afhankelijk blijft van de man.

5.7 De kinderen zijn nog jong, bijna 11, bijna 8 en 5 jaar, op grond waarvan te verwachten is dat zij zich zonder noemenswaardige problemen zullen aanpassen aan een nieuwe omgeving. Daarbij speelt een rol dat zij vertrouwd zijn met het (reeds bestaande) sociale netwerk in Brabant.

5.8 Alles overwegende, is de rechtbank van oordeel dat de moeder naar [plaats] mag verhuizen.
De rechtbank acht het in het licht van deze belangenafweging niet onaanvaardbaar dat het contact tussen de man en de kinderen als gevolg van de verhuizing zal wijzigen en de kinderen zullen moeten wennen aan een nieuwe omgeving.

Immers is genoegzaam gebleken dat de vrouw alles in het werk stelt om het contact tussen de kinderen en de man zoveel mogelijk op peil te houden. Gezien de door de vrouw geboden omgangsalternatieven, zal het contact met de vader en diens aandeel in de opvoeding en verzorging van de kinderen door de verhuizing niet zozeer verminderen, maar anders ingedeeld gaan worden. Niet kan worden gezegd dat het contact tussen de man en de minderjarigen door de verhuizing onaanvaardbaar zal worden uitgehold.





6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Verleent de vrouw toestemming om met de minderjarigen [naam]:
- [naam kind 1], geboren op [datum] 1999;
- [naam kind 2], geboren op [datum] 2002;
- [naam kind 3], geboren op [datum] 2004.
naar de regio Brabant te verhuizen.

6.2 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.3 Wijst af het meer of anders verzochte.





Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. van Keken, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S. Kuijs, griffier, op 4 juni 2010.

Tegen deze beschikking kan Ė voor zover er definitief is beslist Ė door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.

-
-
WWW.UWWET.nl
2010. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl
a>
2010. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl