Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BM7606, Gerechtshof Amsterdam , 200.055.496/01 en 200.058.917/01

Datum uitspraak: 25-05-2010
Inhoudsindicatie: vervangende toestemming persoonlijkheidsonderzoek





Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 25 mei 2010 in de zaak met landelijke zaaknummers 200.055.496/01 en 200.058.917/01 van:

[Ö],
wonende te [Ö],
APPELLANTE,
advocaat: mr. W.P.A. Vos te Amsterdam,

t e g e n

BUREAU JEUGDZORG AGGLOMERATIE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
GEŌNTIMEERDE.





1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geÔntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en BJA genoemd.

1.2. De moeder is in de zaak met landelijk zaaknummer 200.055.496/01 op 31 januari 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 2 november 2009 van de kinderrechter in de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 440286/JE RK 09-2733.

1.3. De moeder is in de zaak met landelijk zaaknummer 200.058.917/01 op 8 maart 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 december 2009 van de kinderrechter in de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 09-2989/442839.

1.4. BJA heeft in de zaak met landelijk zaaknummer 200.055.496/01 op 1 maart 2010 een verweerschrift ingediend.

1.5. BJA heeft in de zaak met landelijk zaaknummer 200.058.917/01 op 29 maart 2010 een verweerschrift ingediend.

1.6. De moeder heeft op 15 april 2010 nadere stukken ingediend.

1.7. De zaken zijn op 19 april 2010 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.

1.8. Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- mevrouw T. van Vliet en mevrouw D. van der Leij namens BJA;
- mevrouw F.L.M. Huizinga, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging te Amsterdam (hierna de Raad).

1.9. Voorafgaand aan de zitting is [de minderjarige] [Ö] afzonderlijk door de voorzitter gehoord.





2. De feiten

2.1. Uit de moeder is [in] 1997 [de minderjarige] geboren. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige].

2.2. Bij beschikking van 6 juni 2007 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien telkens is verlengd, laatstelijk tot 16 september 2010.

2.3. In het kader van de ondertoezichtstelling is [de minderjarige] uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging is geldig tot 16 december 2009. Zij verblijft in een woning van Beter Met Thuis (BMT); sinds 20 oktober 2009 verblijft zij daar volledig (voordien verbleef [de minderjarige] in het weekend bij de moeder) en is aan de moeder een contactverbod opgelegd. Sinds 11 februari 2010 bezoekt de moeder [de minderjarige] iedere woensdag-middag in BMT.





3. Het geschil in hoger beroep (in de zaak met landelijk zaaknummer 200.055.496/01)

3.1. Bij de bestreden beschikking is, overeenkomstig het verzoek van BJA, vervangende toestemming verleend voor een ABC-onderzoek ten aanzien van [de minderjarige] met ingang van heden, een en ander zo spoedig mogelijk te verrichten doch in ieder geval binnen de termijn waarop de ondertoezichtstelling afloopt, te weten tot 16 september 2010.

3.2. De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van BJA alsnog af te wijzen.

3.3. BJA verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de bestreden beschikking te bekrachtigen.





4. Het geschil in hoger beroep (in de zaak met landelijk zaaknummer 200.058.917/01)

4.1. Bij de bestreden beschikking is, overeenkomstig het verzoek van BJA, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder met ingang van 16 december 2009 voor de duur van zes maanden verlengd, te weten tot 16 juni 2010. Voorts is vervangende toestemming verleend voor een persoonlijkheids-onderzoek bij de Bascule ten aanzien van [de minderjarige] met ingang van heden, een en ander zo spoedig mogelijk te verrichten doch in ieder geval binnen de termijn waarop de ondertoezichtstelling afloopt, te weten tot 16 december 2010 (het hof begrijpt: 16 september 2010).

4.2. De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van BJA alsnog af te wijzen.

4.3. BJA verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.





5. Beoordeling van het hoger beroep (in de zaak met landelijk zaaknummer 200.055.496/01)

5.1. Volgens de moeder heeft de kinderrechter ten onrechte het verzoek om vervangende toestemming voor een ABC-onderzoek toegewezen op grond van artikel 1:264 Burgerlijk Wetboek (BW), de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst en artikel 7:450 BW. Wanneer het een minderjarige tussen twaalf en zestien jaar oud betreft - [de minderjarige] was ten tijde van het indienen van het verzoek twaalf jaar oud -, is zowel diens toestemming als die van de met het gezag beklede ouder vereist. De moeder en [de minderjarige] zien het belang van een ABC-onderzoek niet in. Toch is dat onderzoek inmiddels verricht. Om die reden stelt BJA dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep. De moeder stelt dat zij nog steeds belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar grieven, omdat het om een principiŽle uitspraak gaat, nu het ABC-onderzoek ten onrechte, zonder wettelijke grondslag, is afgenomen. Enig ander belang heeft de moeder niet naar voren gebracht.

5.2. Het hof is van oordeel dat de moeder thans, nu na uitvoering van het onderzoek het gestelde belang van een principiŽle uitspraak geen procesbelang oplevert, niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof komt dan ook niet toe aan de inhoudelijke behandeling van de bezwaren van de moeder.





6. Beoordeling van het hoger beroep (in de zaak met landelijk zaaknummer 200.058.917/01)

6.1. Voor haar grief tegen de beslissing van de kinderrechter om vervangende toestemming te verlenen voor een persoonlijkheidsonderzoek bij [de minderjarige], verwijst de moeder naar haar grief zoals naar voren gebracht in de zaak met landelijk zaaknummer 200.055.496/01. Met betrekking tot de beslissing van de kinderrechter om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen, betoogt de moeder dat de gronden daarvoor niet meer aanwezig waren. BJA heeft de rechter-commissaris in november 2009 geÔnformeerd dat voortzetting van het contactverbod tussen de moeder en [de minderjarige], opgelegd naar aanleiding van de aangifte van [de minderjarige] van mishandeling door de moeder, te lang duurt en niet in het belang van [de minderjarige] is. Op 12 november 2009 heeft de rechter-commissaris een bevel afgegeven tot wijziging van de voorwaarden verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van de moeder .

6.2. BJA brengt naar voren dat het contactverbod niet de enige grondslag voor de verlenging is. Opgemerkt zij overigens dat er nog steeds een contactverbod van kracht is: [de minderjarige] en de moeder hebben alleen onder begeleiding contact met elkaar. Het blijkt niet mogelijk om samen te werken met de moeder. Daardoor krijgt BMT geen zicht op de thuissituatie en zal zij de hulpverlening beŽindigen. Nu BMT stopt, zou [de minderjarige] naar een langverblijfhuis van Spirit moeten, maar Spirit kan pas een goede plaatsing realiseren als de resultaten van het ABC-onderzoek bekend zijn. De moeder weigert echter daarin inzage te geven. Desondanks heeft BJA al wel vernomen dat er in het onderzoek ernstige zorgen naar voren zijn gekomen. [de minderjarige] is aangemeld voor diagnostisch onderzoek bij De Bascule; die wil bij voorkeur pas starten als [de minderjarige] ergens geplaatst is. Derhalve is de hulpverlening door de opstelling van de moeder in een impasse geraakt. Bij aanvang van de uithuisplaatsing waren er zorgen over de psychische gesteldheid van [de minderjarige]. Zij maakt nu volgens BJA een positieve ontwikkeling door, waarschijnlijk omdat zij minder met de moeder wordt geconfronteerd die paranoÔde en wantrouwend overkomt. De uithuisplaatsing lijkt [de minderjarige] goed te doen, al zijn de zorgen nog niet verdwenen.

6.3. Ter zitting in hoger beroep heeft de Raad gesteld dat het gezien de voorgeschiedenis van belang is om het niveau van [de minderjarige] te onderzoeken, met name met het oog op de benodigde hulp, voordat kan worden beoordeeld of sprake kan zijn van thuisplaatsing. [de minderjarige] is loyaal naar de moeder en zij weet dat de moeder geen toestemming wil geven voor het onderzoek. [de minderjarige] kan geen weloverwogen keuze maken. De Raad adviseert derhalve de beslissing van de kinderrechter met betrekking tot de vervangende toestemming te bekrachtigen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing: zolang geen zicht is op de hulp die [de minderjarige] nodig heeft, kan niet inhoudelijk worden beoordeeld of de uithuisplaatsing moet worden beŽindigd en moet deze worden gecontinueerd.

6.4 . Het hof overweegt met betrekking tot de vervangende toestemming voor een persoonlijkheidsonderzoek van [de minderjarige] bij De Bascule als volgt. Vooraleerst stelt het hof vast dat de kinderrechter gezien artikel 1:265 BW geen vervangende toestemming had kunnen verlenen louter op grond van een mondeling ter zitting in eerste aanleg gedaan verzoek van BJA, mede in het licht van de omstandigheid dat het om een ver strekkend verzoek gaat, waarop de moeder als dat ter zitting mondeling wordt gedaan geen behoorlijke gelegenheid heeft gehad om te reageren. Nog afgezien van dit gegeven en daargelaten de vraag of voor een kind van twaalf jaar of ouder vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:264 kan worden gegeven door de rechter, is naar het oordeel van het hof niet duidelijk of het verzoek wel betrekking heeft op een geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 1:264 juncto artikel 7:446 lid 2 sub a en b BW. Het hof zal het verzoek dan ook als onvoldoende gemotiveerd alsnog afwijzen.

6.5. Met betrekking tot de uithuisplaatsing stelt het hof vast dat de moeder nauwelijks heeft gemotiveerd waarom de gronden volgens haar niet langer aanwezig zouden zijn. De moeder stelt slechts dat het contactverbod niet langer geldt, maar voor het overige voert zij, ook ter zitting, niet aan waarom de uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. Met de rechtbank, BJA en de Raad is het hof van oordeel dat zolang geen zicht bestaat op de thuissituatie en de hulpvraag van [de minderjarige], maar er wel ernstige zorgen zijn, de gronden voor uithuisplaatsing nog aanwezig zijn.

6.6 . Dit leidt tot de volgende beslissing.





7. Beslissing

Het hof:

In de zaak met landelijk zaaknummer 200.055.496/01

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

In de zaak met landelijk zaaknummer 200.058.917/01

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin vervangende toestemming is verleend voor een persoonlijkheidsonderzoek bij De Bascule van [de minderjarige] en, in zoverre opnieuw rechtdoende, wijst het daartoe strekkende verzoek alsnog af;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige].





Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, C.G. Kleene-Eijk en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2010.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl