Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BN7867, Gerechtshof 's-Gravenhage , 200.048.977.01

Datum uitspraak: 12-05-2010
Inhoudsindicatie: Wijziging buitenlandse (Poolse) beslissing. Verzoek tot verlaging in appel niet-ontvankelijk.





Uitspraak

GERECHTSHOF s-GRAVENHAGE Familiesector


Uitspraak : 12 mei 2010
Zaaknummer : 200.048.977.01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-10313

[appellant sub a], hierna te noemen: de moeder,
en
[appellant sub b], hierna te noemen: [de minderjarige sub b],
beide woonachtig te [woonplaats],
verzoekers, tevens incidenteel verweerders, in hoger beroep,
advocaat mr. C. Arslaner te s-Gravenhage,

tegen

[geintimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A. Maaskant te Hellevoetsluis.





PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder en [de minderjarige sub b] zijn op 18 november 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank s-Gravenhage van 18 augustus 2009.

De vader heeft op 4 februari 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 15 december 2009, 22 maart 2010 en 23 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 4 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 31 maart 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. [de minderjarige sub b] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.





HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking heeft de rechtbank,
I met wijziging van het vonnis van het Regionale Gerecht te Lublin van 28 mei 1998 en uitvoerbaar bij voorraad, de door de vader met ingang van 1 januari 2009 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige sub a], geboren [in] te [geboorteplaats], hierna: [de minderjarige sub a], bepaald op 300,- per maand, vanaf 18 augustus 2009 bij vooruitbetaling te voldoen.
II het verzoek van de moeder en [de minderjarige sub b], geboren op [in] 1987 te [geboorteplaats], tot wijziging van het vonnis van het Regionaal Gerecht te Lublin (Polen) van 28 mei 1998, in die zin dat de door de vader met ingang van 1 januari 2002 te betalen bijdrage in de kosten voor levensonderhoud en studie van [de minderjarige sub b] op 300,- wordt bepaald, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.





BEOORDELING VAN HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de minderjarige sub b] en verzorging en opvoeding van [de minderjarige sub a], hierna gezamenlijk ook: alimentatie.

2. De moeder en [de minderjarige sub b] verzoeken te bepalen dat de wijziging van de alimentatie ten behoeve van [de minderjarige sub a] en [de minderjarige sub b] dient in te gaan met ingang van 1 januari 2002 en voorts te bepalen dat het verzoek van [de minderjarige sub b] om wijziging van de alimentatie zal worden toegewezen.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder en [de minderjarige sub b] in hun beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans hun beroep te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Voorts verzoekt de vader in incidenteel appel de bestreden beschikking te wijzigen en de alimentatie van [de minderjarige sub a] met ingang van 1 januari 2009 op nihil te stellen, althans op een zodanig lager bedrag dan 300,- en met ingang van zodanige datum als het hof in goede justitie billijk zal achten.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de wijzigingsdatum van de alimentatie ten onrechte is vastgesteld op 1 januari 2009. De moeder voert daartoe aan dat de rechtbank haar verzoek diende te behandelen als een verzoek tot het verkrijgen van een exequatur en is van mening dat de ingangsdatum op 1 januari 2002 dient te worden vastgesteld. Voorts stelt de moeder dat de wijziging van de alimentatie ook ten aanzien van [de minderjarige sub b] dient te gelden, aangezien [de minderjarige sub b] geen eigen inkomen heeft en geen studiebeurs ontvangt.

5. De vader stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden is tot het betalen van alimentatie. De vader voert daartoe aan dat partijen hebben afgesproken om de alimentatie af te kopen door de opbrengst van de echtelijke woning aan de moeder toe te delen. De vader stelt verder dat de ingangsdatum terecht is bepaald op de datum van indiening van het verzoekschrift, nu hij pas vanaf dat moment rekening kon houden met wijziging van de alimentatie. In incidenteel appel stelt de vader dat de door de moeder gestelde behoefte van [de minderjarige sub a], groot 300,- per maand, van buitenproportionele hoogte is en dat het hem aan draagkracht ontbreekt nu hij met ingang van 1 januari 2009 een WW-uitkering ontvangt.

6. Het hof overweegt als volgt.

Toepasselijk recht

7. Op grond van artikel 4 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op de onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973, Trb. 1974,86, is Nederlands recht van toepassing.

Wijziging van omstandigheden

8. De moeder heeft in haar inleidend verzoekschrift geen gewijzigde omstandigheid aangevoerd. Wel heeft zij een bijdrage van 300,- per kind per maand gevraagd, kennelijk van mening zijnde dat dit (tenminste) de omvang van de behoefte van de kinderen op het moment van indiening van het verzoek was. Partijen hebben geen procesverbaal van de behandeling van de zaak bij de rechtbank overgelegd. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat nu de vader niet heeft betwist dat thans een hogere behoefte bestaat aan een bijdrage ten behoeve van de kinderen, zij dit als vaststaand aanneemt. Kennelijk heeft de rechtbank hierin een wijziging van omstandigheden gezien als bedoeld in artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), per datum 1 januari 2009, zijnde omstreeks de datum indiening van het inleidend verzoekschrift. Door geen van de partijen is hiertegen een grief gericht derhalve staat deze wijziging van omstandigheden per genoemde datum naar het oordeel van het hof als niet bestreden vast. Dat de vader thans in hoger beroep de omvang van de behoefte van [de minderjarige sub a] ter discussie stelt doet aan het voorgaande niet af.

9. De moeder heeft geen verdere wijziging van omstandigheden aangevoerd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de moeder desgevraagd slechts aangevoerd dat de wijziging van omstandigheden is gelegen in het feit dat de vader vanaf 1 januari 2002 geen alimentatie heeft betaald. Het hof is van oordeel dat het niet betalen van de alimentatie geen omstandigheid is die een heroverweging van de wettelijke maatstaven rechtvaardigt. Mitsdien zal het verzoek van de moeder om de wijziging van de alimentatie in te laten gaan per 1 januari 2002 ook in hoger beroep worden afgewezen en zal het hof, evenals de rechtbank hierna uit gaan van een wijziging van omstandigheden -op grond waarvan de op 28 mei 1998 vastgestelde alimentatie kan worden gewijzigd- per 1 januari 2009.

10. Voor zover de vader bedoelt te betogen dat zijn alimentatieplicht is geindigd met de toebedeling van de waarde van de echtelijke woning aan de moeder, gaat het hof daaraan voorbij, nu deze stelling niet is onderbouwd en door de moeder gemotiveerd is bestreden.

Alimentatie [de minderjarige sub b]

11. Ten aanzien van het verzoek van de moeder en [de minderjarige sub b] tot wijziging van de alimentatie van [de minderjarige sub b] overweegt het hof als volgt. De onderhoudsverplichting van ouders ten opzichte van hun kinderen op grond van artikel 1:395a BW eindigt bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd. Op grond van artikel 1:392 lid 2 BW bestaat de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud aan meerderjarige kinderen doch slechts in geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoud gerechtigde. Op de datum genoemd onder rechtsoverweging 9 was [de minderjarige sub b] reeds 21 jaar oud. Het hof is van oordeel dat [de minderjarige sub b] onvoldoende heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat hij nadat hij meerderjarig is geworden niet in staat is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Derhalve wijst het hof het verzoek van [de minderjarige sub b] tot wijziging van de alimentatie af.

Alimentatie [de minderjarige sub a]

12. Voor [de minderjarige sub a] is de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van 300,- per maand in geschil. Het hof is van oordeel dat de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de behoefte van [de minderjarige sub a] 300,- per maand bedraagt. Rekening houdend met het feit dat de moeder en de kinderen thans in Nederland wonen, zal het hof, nu in het geheel geen gegevens omtrent de behoefte zijn overgelegd, voorts uitgaand van het indertijd in Polen vastgestelde bedrag, naar redelijkheid en billijkheid de behoefte van [de minderjarige sub a] met ingang van 1 januari 2009 vaststellen op 150,- euro per maand.

13. De vader heeft in eerste instantie geen draagkrachtverweer gevoerd. In hoger beroep heeft de vader aangevoerd dat hij met ingang van 1 januari 2010 is aangewezen op een werkeloosheidsuitkering, waardoor hij geen enkele draagkracht meer heeft. Betreffende de periode vr 1 januari 2010 heeft de vader een aantal salarisspecificaties overgelegd, waaruit een bruto jaarinkomen blijkt van 31.454,- te vermeerderen met het spaarloon. Rekeninghoudend met de door de vader in zijn draagkrachtberekening opgenomen lasten die niet door de moeder zijn betwist en de werkgeversbijdrage, ziektekostenverzekering, voorts rekening houdend met het door de vader te realiseren fiscale voordeel is het hof van oordeel dat de draagkracht van de vader tot 1 januari 2010 de betaling van een alimentatie van 150,- per maand toe laat. Vanaf 1 januari 2010 laat de draagkracht van de vader geen hogere bijdrage toe dan de bijdrage waartoe hij ingevolge het vonnis van 1998 is verplicht.

Zelfstandig verzoek

14. Ten aanzien van het verzoek van de vader om de alimentatie van de minderjarigen per 1 januari 2010 op nihil te stellen overweegt het hof als volgt. Nu de vader in eerste aanleg geen zelfstandig verzoek heeft gedaan en dit ingevolge artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan is de vader niet-ontvankelijk in dit verzoek.

15. Mitsdien beslist het hof als volgt.





BESLISSING OP HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voorzover daarbij de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige sub a] met ingang van 1 januari 2009 is bepaald op 300,- per maand en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt met wijziging in zoverre van het vonnis van het Regionaal Gerecht te Lublin (Polen) van 28 mei 1998 de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige sub a] voor de periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2010 op 150,- per maand;
vverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn zelfstandige verzoek;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.





Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Stille en Husson, bijgestaan door mr. Pol als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2010.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl