Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BM9989, Rechtbank Utrecht , 266322 / HA ZA 09-966

Datum uitspraak: 30-06-2010
Inhoudsindicatie: zaak tussen twee buren, sprake van verkrijgende verjaring?





Uitspraak

vonnis
RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 266322 / HA ZA 09-966

Vonnis van 30 juni 2010

in de zaak van

[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. N.D. Wassink,

tegen

[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A.M. Schotte.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.





1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 juni 2010
- het proces-verbaal van comparitie van 29 september 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.





2. De feiten

2.1. [eiseres] is sinds 1964 eigenaar van de woning staande en gelegen aan de [adres] [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [nummer]. [gedaagde] is na het overlijden van zijn vader, de heer [A], in 2005 eigenaar geworden van de naast gelegen woning staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [nummer]

2.2. In 1971 heeft wijlen de heer [A] de woning aan de [adres] gekocht. De achtertuinen van [eiseres] en [gedaagde] grenzen aan elkaar. Tussen [eiseres] en wijlen [A] waren geen problemen.

2.3. [gedaagde] heeft in 2006 en 2007 onderhoud verricht aan de gebouwen op zijn perceel. Een van de gebouwen betreft een bijgebouw waarin de onderneming van wijlen [A] reeds 20 jaar gevestigd was (en die thans wordt voortgezet door [gedaagde]). Bij het onderhoud heeft [gedaagde] een strook grond uitgegraven, rondom de feitelijke erfgrens tussen de percelen. Later heeft [gedaagde] hier een hek neergezet. Hierover is onenigheid ontstaan tussen partijen.

2.4. Op 13 juni 2007 heeft, in opdracht van [eiseres], een erfgrensreconstructie plaatsgevonden door het Kadaster. Uit deze kadastrale meting volgde dat de strook grond tussen de beide tuinen behoort bij het aan [gedaagde] in eigendom toebehorende perceel.

2.5. Op 20 juni 2007 hebben partijen afspraken gemaakt en deze op schrift gezet. In deze overeenkomst is onder meer vast gelegd:
“(…)
• De ontstane schade (kapotte betonplaat) bij [eiseres] in de zomer 2006 na het plaatsen van het hekwerk op het erf van [gedaagde], zal worden gerepareerd voor rekening van [gedaagde]. Zodra het hekwerk opnieuw geplaatst wordt, zal deze reparatie uitgevoerd worden.
• De Kadasterkosten voor het uitzetten van de erfgrens afscheiding wordt betaald door [eiseres]
• De erfgrensafscheiding wordt gezamenlijk verder uitgezet, de betonpaal aan de achterzijde zal naderhand verplaatst worden, om het hekwerk van [gedaagde] vlak langs de erfgrens te kunnen plaatsen.
• Het verwijderen van de stronken (o.a. berk) en boom (blauwspar) op de erfgrensafscheiding zal [gedaagde] voor zijn rekening laten uitvoeren. Dit gebeurt binnen 2 weken.
• Bij werkzaamheden waarbij noodzakelijk is dat het erf van de ander betreden wordt, wordt de ander vooraf ingelicht dat dit plaats zal vinden (aard werkzaamheden, dag en tijdstip). Beide partijen verlenen elkaar recht van overpad voor deze werkzaamheden,
(…)”

2.6. De hiervoor genoemde overeenkomst is ondertekend in aanwezigheid van de echtgenote van [gedaagde] en de zoon van [eiseres].

2.7. Op 22 april 2008 heeft [B] tot begin 2005 echtgenote van [A], schriftelijk verklaard (onder meer):
“Dit huis had ik met mijn man in 1971 gekocht, mevrouw [eiseres] woonde er toen al. Ik heb er gewoond tot ik in Odijk een eigen huis vond per 1 mei 2005. Al die jaren dat ik aan de [adres] woonde, hebben wij vrij toegang gehad tot alle grond die van ons was. Op enig moment – ik denk dat het in 1973 is geweest – hebben wij een garage laten bouwen op de plaats van een houten schuur. Wij hebben daarvoor een vergunning aangevraagd en verkregen. Voor de grootte en de plaats waar de garage zou komen, hebben wij ons gericht op de erfafscheiding met de buren Familie [eiseres]. We hebben in 1973 de garage bewust ruim 1 meter uit de erfgrens gebouwd, zodat we er voor onderhoud omheen konden lopen. Enige tijd nadat de garage was afgebouwd vroeg de buurvrouw of zij op onze strook grond grenzend aan haar perceel, langs de muur van de garage een paar plantjes en struiken mocht neer zetten voor het zicht. Mijn man en ik vonden dat goed. We kwamen niet vaak op deze strook grond, omdat onderhoud tot eind 2006 niet noodzakelijk was”.





3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres] vordert – samengevat – :
a. een verklaring voor recht inhoudende dat de strook grond door middel van verjaring eigendom is geworden van [eiseres];
b. veroordeling van [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de door hem in juni 2007 aangebrachte erfafscheiding te verwijderen en de oorspronkelijke erfafscheiding terug te plaatsen opdat de situatie weer in de oorspronkelijke staat van voor juni 2007 wordt teruggebracht, op straffe van een dwangsom van EUR 250,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft;
c. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 510,- aan [eiseres] terzake door haar geleden schade, vermeerderd met wettelijke rente;
d. veroordeling van [gedaagde] in de buitengerechtelijke kosten van EUR 910,- en in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie

3.3. [gedaagde] vordert – samengevat – veroordeling van [eiseres] tot betaling aan hem van een bedrag van EUR 6.382,50, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, terzake door hem geleden schade, vermeerderd met rente en de kosten van het geding.

3.4. [eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4. De beoordeling

in conventie

4.1. Krachtens artikel 73 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek dient de vraag of [eiseres] door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond als hiervoor beschreven aan de hand van het sinds 1 januari 1992 in werking getreden recht beantwoord te worden. Artikel 3:105 lid 1 BW bepaalt dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt. Daarbij is niet relevant of zijn bezit al dan niet te goeder trouw is (geweest). Krachtens artikel 3:306 BW geldt voor de verjaing van de hiervoor bedoelde rechtsvordering een termijn van 20 jaar. Ingevolge artikel 93 Overgangswet geldt een uitgestelde werking van een jaar ingeval de termijn van 20 jaar op het tijdstip van inwerkingtreding reeds is verstreken. Dit betekent dat de bevrijdende verjaringstermijn op zijn vroegst op 1 januari 1993 kan zijn voltooid.

4.2. [Eiseres] heeft gesteld en onder andere aan de hand van foto’s onderbouwd dat zij vanaf 1964 het onafgebroken bezit van de strook grond heeft gehad. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat de strook grond voor hem toegankelijk is gebleven, maar dit op zich doet aan het mogelijke bezit van [eiseres] niets af. [gedaagde] betwist feitelijk ook niet dat [eiseres] de strook grond langer dan 20 jaar in gebruik heeft gehad, maar stelt dat aan dit gebruik een afspraak ten grondslag lag, tussen [eiseres] en zijn ouders. [Gedaagde] heeft een verklaring overgelegd van zijn moeder waarin zij deze afspraak bevestigt. Bovendien stelt [gedaagde] dat partijen op 20 juni 2007 zijn overeengekomen dat zij zich zouden houden aan de uitkomst van de erfgrensreconstructie.

4.3. De rechtbank overweegt vooreerst dat op grond van de hiervoor genoemde artikelen, verkrijging na verloop van de verjaringstermijn van rechtswege plaats vindt. Hieraan kan de overeenkomst van 20 juni 2007 op zichzelf niet afdoen. Verjaring die leidt tot verkrijging van een registergoed is (vervolgens) een inschrijfbaar feit (artikel 3:17 lid 1 sub i BW). [gedaagde] meent dat geen verjaring kan hebben plaatsgevonden, daar aan het gebruik van de strook grond een afspraak ten grondslag ligt tussen zijn ouders en [eiseres]. Er zou derhalve geen sprake zijn van bezit, maar van houderschap. Indien zulks komt vast te staan is geen sprake van verkrijgende verjaring en dient de vordering van [eiseres] te worden afgewezen.

4.4. [gedaagde] heeft een verklaring overgelegd van zijn moeder, mevrouw [B], waarin deze heeft aangegeven dat [eiseres] toestemming aan haar en haar ex-man heeft gevraagd om - voor het zicht - plantjes neer te zetten op de betreffende strook grond. Dit zou impliceren dat sprake is van een bruikleenovereenkomst. Indien [eiseres] slechts houder is geweest en geen bezitter, kan van verkrijgende verjaring geen sprake zijn geweest. Tegenover deze gemotiveerde betwisting door [gedaagde] zal [eiseres], op wie in deze de bewijslast rust, nu zij zich op de rechtsgevolgen van haar stelling dat sprake is van verkrijgende verjaring beroept, worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij de strook grond als hiervoor beschreven gedurende een periode van tenminste 20 jaar onafgebroken in bezit heeft gehad, aldus zonder dat daaraan een afspraak met [gedaagde] en zijn echtgenote ten grondslag lag.

4.5. Voor zover [eiseres] in het kader van haar bewijsopdracht getuigen wenst te horen overweegt de rechtbank als volgt.

4.6. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.7. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.

4.8. De rechtbank overweegt dat pas wanneer vast komt te staan [eiseres] de strook grond op grond verjaring heeft verkregen, verdere bespreking van de overeenkomst van 20 juni 2007 en de gevolgtrekking die partijen aan die overeenkomst geven, aan de orde kan en dient te komen. Om proces-economische redenen zal de rechtbank de overeenkomst van 20 juni 2007 in dit stadium van de procedure vooralsnog dan ook onbesproken laten.

4.9. Naast een verklaring voor recht heeft [eiseres] gevorderd dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen de thans geplaatste erfafscheiding te verwijderen en de situatie terug te brengen in de staat waarin de erfafscheiding zich dit voor juni 2007 bevond. Gelet op de samenhang met de hierboven besproken vordering zal deze beslissing thans worden aangehouden.

4.10. Voorts heeft [eiseres] gevorderd dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 510,= terzake schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. [Eiseres] stelt dat dit bedrag schade betreft die door [gedaagde] tijdens de onderhoudswerkzaamheden is toegebracht aan haar tegelpad en beplantingen. Zij heeft daartoe foto’s overgelegd en een offerte van tuincentrum van Ee. [Gedaagde] heeft ontkend dat hij de schade heeft veroorzaakt.

4.11. Indien [gedaagde] in het kader van de onderhoudswerkzaamheden schade heeft toegebracht aan [eiseres] is hij gehouden deze schade te vergoeden. [gedaagde] ontkent weliswaar de schade te hebben veroorzaakt, maar gelet op de foto’s, waarop de beschadigde tegels en daarachter het afgegraven stuk grond zijn te zien, is dat nauwelijks denkbaar. Daarbij komt dat [gedaagde] zich in de overeenkomst van 20 juni 2007 heeft verplicht de hier bedoelde schade te vergoeden. Nu de hoogte van de offerte van tuincentrum van Ee door [gedaagde] verder niet wordt betwist, overweegt de rechtbank reeds nu dat zij bij eindvonnis dit deel van de vordering als voldoende onderbouwd en niet gemotiveerd betwist zal toewijzen.

in reconventie

4.12. [gedaagde] vordert in reconventie dat [eiseres] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag groot € 6.382,50. Hij legt aan zijn vordering ten grondslag dat [eiseres] op 3 oktober 2007 een klacht heeft ingediend bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug omtrent het al dan niet ontbreken van vergunningen voor de op zijn perceel geplaatste bijgebouwen. [gedaagde] stelt dat [eiseres] hiermee onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem, omdat het enkele doel van de klacht zou zijn gelegen in het op kosten jagen en intimideren van [gedaagde]. [eiseres] betwist dat zij een klacht heeft ingediend en stelt dat zij slechts bij de gemeente heeft geïnformeerd naar de eigenaar van [adres], dit naar aanleiding van een opmerking van [gedaagde] dat hij [adres] op [adres] had laten zetten”.

4.13. Los van het antwoord op de vraag of sprake is geweest van een verzoek om informatie, dan wel een klacht over mogelijk illegale bijgebouwen, overweegt de rechtbank dat een verzoek om informatie, noch een klacht over mogelijk illegale bijgebouwen een onrechtmatige daad oplevert jegens [gedaagde] op grond waarvan [eiseres] schadeplichtig zou kunnen zijn. Reeds om die reden zal de vordering in reconventie bij eindvonnis in deze zaak worden afgewezen.

4.14. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij – eveneens bij eindvonnis - in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 452,=.

4.15. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.





5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. draagt [eiseres] op te bewijzen dat zij de strook grond als hiervoor beschreven in bezit heeft genomen en dat de bezitsuitoefening door [eiseres] gedurende tenminste 20 jaar onafgebroken heeft geduurd dus dat zij het gebruik van de strook grond heeft gehad, zonder dat daaraan een afspraak met [gedaagde] en zijn echtgenote ten grondslag lag,

5.2. bepaalt dat, indien [eiseres] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. E. Bongers in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op donderdag 12 augustus 2010 van 9.00 uur tot 13.00 uur,

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van zittingsplanning Handel / secretaresse van de rechters kamer B.1.35 - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op de hiervoor genoemde zittingsdatum,

5.4. bepaalt dat [eiseres], indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van zittingsplanning Handel / secretaresse van de rechters kamer B.1.35 - en aan de wederpartij moet opgeven,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.





Dit vonnis is gewezen door mr. E. Bongers en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2010.?

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl