Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BN1084, Raad van State , 200908016/1/M1

Datum uitspraak: 14-07-2010
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 18 september 2009 heeft het college aan [appellante] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor het composteren van groenafval, fouragehandel, loonwerkactiviteiten en verhuur en onderhoud van landbouwwerktuigen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 28 september 2009 ter inzage gelegd.





Uitspraak

200908016/1/M1.
Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.





1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2009 heeft het college aan [appellante] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor het composteren van groenafval, fouragehandel, loonwerkactiviteiten en verhuur en onderhoud van landbouwwerktuigen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 28 september 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.
Het college heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.A. Pasveer, advocaat te 's-Hertogenbosch, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.A. van Ham en H.H. Lobbezoo, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.





2. Overwegingen

2.1. In 2007 is door [appellante] een waterzuiveringsinstallatie aangelegd. In deze waterzuiveringsinstallatie wordt het percolaatwater van de composteringshopen gezuiverd. Het aldus gezuiverde water gaat via een kunststofleiding naar een betonnen pompput vlak buiten de inrichting. Vanaf deze pompput gaat het afvalwater via een kunststof persleiding naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: RWZI) van het waterschap. De leiding van de waterzuiveringsinstallatie tot aan de RWZI van het waterschap wordt alleen gebruikt door [appellante]

2.2. [appellante] keert zich ertegen dat voorschrift 3.2.1, aanhef en onder c, van de vergunning van 28 september 2005 wordt gehandhaafd en dat het aangevraagde lozingsdebiet wordt geweigerd.

2.3. Ingevolge voorschrift 3.2.1, aanhef en onder c, van de veranderingsvergunning van 28 september 2005 is het verboden afvalwater in een openbaar riool te brengen dat een sulfaatgehalte heeft hoger dan 300 mg per liter, bepaald volgens NEN 6487 (1997) of NEN 6654 (1992).

2.4. [appellante] voert aan dat de lozingsnorm dient ter bescherming van het openbaar riool, maar dat zij niet op het openbaar riool loost. Volgens haar is het riool haar eigendom, het leidingwerk vanaf de waterzuivering tot aan de RWZI van het waterschap is in opdracht van [appellante] en voor haar rekening aangelegd. Dit leidingwerk zou worden overgedragen aan de gemeente, maar levering heeft nog niet plaatsgevonden. Ook wordt het leidingwerk alleen door haar gebruikt, zodat volgens haar het leidingwerk ook om die reden geen openbaar riool vormt.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat wel een overdracht aan de gemeente heeft plaatsgevonden. De pompput ligt buiten de inrichting en is opgenomen in het gemeentelijk rioleringsplan, zodat volgens het college de gemeente verantwoordelijk is voor de inzameling en het transport van het afvalwater. Dat de pompput door [appellante] en voor haar rekening is aangelegd, maakt dit zijns inziens niet anders. Ook het feit dat de riolering alleen door [appellante] wordt gebruikt, maakt niet dat het geen openbaar riool is, aldus het college.

2.4.2. Het college heeft de Instructie-regeling lozingsvoorschriften milieubeheer van 15 maart 1996 (regeling van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 maart 1996, Stcrt. 59, hierna: de instructie-regeling) toegepast. In de instructie-regeling is openbaar riool gedefinieerd als: gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

In de toelichting bij deze regeling wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het Besluit van 19 januari 1996, houdende het opnemen van voorschriften in enkele algemene maatregelen van bestuur gebaseerd op artikel 8.40 Wet milieubeheer met betrekking tot het brengen van bedrijfsafvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater (Stb. 1996, 45, hierna: het Besluit lozingsvoorschriften artikel 8.40 Wm), waarin het algemene kader is geschetst waarbinnen ook de instructie-regeling moet worden geplaatst. In de nota van toelichting bij het Besluit lozingsvoorschriften artikel 8.40 Wm is vermeld dat het openbaar riool het gemeentelijk rioolstelsel omvat en dat wat daartoe behoort en verband houdt met de uitvoering van de gemeentelijke taak van de inzameling en het transport van afvalwater. Particuliere aansluitingen en voorzieningen voor de inzameling en het transport die geen eigendom van een gemeente zijn behoren er niet toe.

2.4.3. De Afdeling stelt vast dat de gemeente weliswaar het beheer uitvoert over de pompput, maar dat de pompput nog niet is overgedragen aan de gemeente, zodat de pompput, gelet op artikel 5:20, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek het eigendom is van [appellante] Ingevolge dit artikellid behoort de eigendom van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toe aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger.

Gelet op de definitie van openbaar riool en in aanmerking genomen de nota van toelichting bij het Besluit lozingsvoorschriften artikel 8.40 Wm, moet worden geoordeeld dat een riool dat, zoals het onderhavige riool, geen eigendom van de gemeente is, geen openbaar riool is. Het college heeft zich dan ook niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorschrift nodig was ter bescherming van het milieu. Dat in de aanvraag is vermeld dat wordt geloosd op het gemeentelijk riool, maakt dit niet anders, nu uit de zienswijze blijkt dat dit een verschrijving is. Deze beroepsgrond slaagt.

2.5. [appellante] voert aan dat ten onrechte is geweigerd het lozingsdebiet te stellen op een maximum van 15 m≥ per uur en 300 m≥ per dag. Het college weigert dit omdat de verhoging van het debiet niet is gemotiveerd. [appellante] voert aan dat aan de huidige vergunning geen lozingsdebiet is verbonden. De goede werking van de riolering wordt volgens haar door een verhoging van het debiet niet geschaad.

2.5.1. Het college voert aan dat in de aanvraag voor de WVO-vergunning van 2005 is vermeld dat een buffercapaciteit van 4 m≥ per uur voldoende is. De huidige aanvraag heeft enkel betrekking op het te lozen percolaatwater, er wordt geen ander proces van groenafvalverwerking aangevraagd. Volgens het college kan geen grotere hoeveelheid percolaatwater vrijkomen dan thans door de vergunde activiteiten wordt veroorzaakt.

2.5.2. Volgens het deskundigenbericht is een hoger lozingsdebiet niet noodzakelijk om de aangevraagde hoeveelheid afvalwater op jaarbasis te verwerken. De Afdeling ziet geen aanleiding op dit punt aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een uitbreiding van het lozingsdebiet niet nodig is ter bescherming van het milieu. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 18 september 2009 dient wegens strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer te worden vernietigd, voor zover het de weigering betreft voorschrift 3.2.1, aanhef en onder c, van de vergunning van 28 september 2005 in te trekken. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.





3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 18 september 2009, voor zover het de weigering betreft voorschrift 3.2.1, aanhef en onder c, van de vergunning van 28 september 2005 in te trekken;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Ä 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Ä 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.





Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Bijleveld
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

433.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl