Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BN0268, Gerechtshof Amsterdam , 200.065.230

Datum uitspraak: 06-07-2010
Inhoudsindicatie: Onrechtmatig uitzicht?





Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.065.230
(zaaknummer / rolnummer rechtbank 283090 / KG ZA 10-180)

arrest in kort geding van de eerste civiele kamer van 6 juli 2010

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[appellante] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
advocaat: mr. W.A.J. Hagen,

tegen:

[geïntimeerde],
wonende [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. B.E.J.M. Tomlow.





1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 21 april 2010 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht tussen appellante (hierna te noemen: [appellante]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.





2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 7 mei 2010 [geïntimeerde] aangezegd van voornoemd vonnis van 21 april 2010 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. Daarbij heeft zij acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, en heeft zij bewijs aangeboden. Aan het exploot zijn producties gehecht. Zij heeft aangekondigd te zullen vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen [en, naar het hof uit de inhoud van de grieven en de toelichting daarop begrijpt: de vordering van [appellante] alsnog zal afwijzen], met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2 De zaak is aangebracht op de rol van 18 mei 2010. [appellante] heeft daarbij van eis geconcludeerd overeenkomstig de eis in voormeld exploot.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft hij bewijs aangeboden en heeft hij producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

2.4 Ter zitting van 24 juni 2010 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellante] door mr. R.G. Wakelkamp en [geïntimeerde] door mr. B.E.J.M. Tomlow, beiden advocaat te Utrecht. Mr. Wakelkamp heeft (tijdig) voorafgaand aan de zitting aan mr. Tomlow en het hof de producties 5 tot en met 8 gezonden. Ter zitting is akte verleend van het in geding brengen van die producties.

2.5 Na afloop van het pleidooi hebben partijen meegedeeld dat het hof arrest kan wijzen op de ten behoeve van het pleidooi aan het hof reeds overgelegde processtukken. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.





3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het hof stelt voorop dat de voorzieningenrechter artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verkeerd heeft toegepast. De voorzieningenrechter heeft namelijk geoordeeld dat alle in de door [appellante] te bouwen appartementen geprojecteerde ramen, deuren en balkonnen die gelegen zijn binnen twee meter van de grens tussen de erven van [appellante] en [geïntimeerde] en uitzicht geven op het erf van [geïntimeerde], in strijd (zullen) zijn met het bepaalde in artikel 5:50 BW. Daarbij heeft de voorzieningenrechter geen onderscheid gemaakt tussen ramen, deuren en balkonnen die recht naar voren uitzicht geven op het naburige erf, en ramen, deuren en balkonnen die zijdelings uitzicht geven op het naburige erf.
In lid 3 van artikel 5:50 BW is echter bepaald dat de in dat artikel bedoelde afstand van twee meter wordt gemeten rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erve of de muur. Het eerste deel van die bepaling (“rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt”) ziet op raam- of deuropeningen en geeft duidelijk weer dat slechts ramen en deuren die – bezien vanuit de positie dat men voor de raam- of deuropening staat – recht naar voren uitzicht geven op het naburige erf, strijdigheid met het in artikel 5:50 lid 1 BW bepaalde kunnen opleveren. Het tweede deel van die bepaling (“uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk”), maakt duidelijk dat slechts de rand van een balkon (zijnde een vooruitspringend werk), waarover recht naar voren op het naburige erf wordt gekeken, strijd met het in artikel 5:50 lid 1 BW bepaalde kan opleveren.

3.2 Voor voormelde uitleg kan steun worden gevonden in de wetsgeschiedenis van artikel 5:50 BW. Daartoe wijst het hof op het volgende.
In het oorspronkelijke concept van artikel 5:50 BW, zoals opgenomen in het Ontwerp Meijers (genummerd als artikel 5.4.12) was in het eerste lid bepaald:
“Het handhaven binnen twee meter afstand van de grenslijn der erven van vensters of andere muuropeningen en van balkons of andere soortgelijke werken, die aan de eigenaar van het gebouw een rechtstreeks uitzicht geven op het naburige erf, is onrechtmatig, nadat de eigenaar van dat erf zich tegen de aanwezigheid van die openingen of werken heeft verzet.”
In de Toelichting Meijers werd dienaangaande opgemerkt:
“Het in het artikel vervatte verbod is in navolging van artikel 146 ontwerp 1898 tot het rechtstreekse uitzicht beperkt en wel wegens het in de toelichting op laatstgenoemd artikel opgegeven motief. Sinds in de grote steden van iedere handbreedte grond partij moet worden getrokken, terwijl de gewoonte om veranda’s of serres aan te brengen, schier algemeen is en het toetreden van licht en lucht een volksbelang is, is het handhaven van het verbod van zijdelings uitzicht niet meer te rechtvaardigen.”
In het daaropvolgende ontwerp is de uitdrukking “een rechtstreeks uitzicht geven” vervangen door “recht naar voren uitzicht geven”. Blijkens de Memorie van Toelichting betrof dat slechts een redactionele wijziging om duidelijker de tegenstelling met “uitzicht ter zijde of in de schuinte” tot uitdrukking te brengen.
In een latere wijziging, welke heeft geleid tot de huidige wettekst, zijn de woorden “recht naar voren” weggelaten. Volgens de Memorie van Antwoord II is dat gebeurd omdat het oorspronkelijke vierde, thans derde lid (dat nog niet was opgenomen in het Ontwerp Meijers en het latere ontwerp waarin “rechtstreeks uitzicht” was vervangen door “recht naar voren uitzicht”) voldoende duidelijk aangeeft hoe de afstand gemeten moet worden. Klaarblijkelijk heeft de wetgever de beperking tot rechtstreeks (in tegenstelling tot zijdelings) uitzicht besloten geacht in het meetvoorschrift van het derde lid van artikel 5:50 BW. De toelichting vermeldt niet dat en waarom toch, in weerwil van de in de Toelichting Meijers opgenomen reden, een verbod van zijdelings uitzicht zou moeten worden aangenomen.

3.3 Nadat het hof partijen ten pleidooie had voorgehouden hoe artikel 5:50 BW naar ’s hofs oordeel moet worden uitgelegd, heeft [geïntimeerde] zijn oorspronkelijke vordering gewijzigd in dier voege dat hij nog slechts vordert dat het hof zal bepalen:
- dat de ramen van de appartementen B022 tot en met B029 die zich bevinden aan de – langs de grens tussen de erven van [geïntimeerde] en [appellante] gelegen – achterzijde van het appartementengebouw B en rechtstreeks uitzicht geven op [geïntimeerde] erf, ondoorzichtig en niet te openen zullen zijn;
- dat op de balkons van de appartementen A08, A019, B025 en B029, aan de zijde die rechtstreeks uitzicht geeft op het perceel van [geïntimeerde], een voorziening moet worden aangebracht zo hoog als de naastgelegen deur, op zodanige wijze dat door die voorziening geen zicht op het naburige perceel mogelijk is;
- dat [appellante] een brief zal sturen aan de (toekomstige) eigenaren van de appartementen A08, A019, B025 en B029 waarin wordt uitgelegd dat verwijdering van de aangebrachte voorziening strijd oplevert met het in artikel 5:50 BW bepaalde en waarin de eigenaren wordt verzocht die informatie door te geven aan de opvolgende eigenaren.
Voor het overige heeft [geïntimeerde] zijn eis niet gehandhaafd.

3.4 [geïntimeerde] heeft in dit verband nog toegelicht dat de door [appellante] voorgestelde privacyschermen met ondoorzichtig glas, vastgeschroefd in de betonnen balkonvloer en in de muur van het appartementengebouw (waarvan een voorbeeld zichtbaar is in productie 8 van [appellante]), afdoende zijn als voorziening om het rechtstreekse uitzicht op het perceel van [geïntimeerde] te verhinderen.

3.5 [appellante] heeft laten weten geen bezwaren te hebben tegen voormelde, mondeling ter zitting gedane, eiswijziging en te kunnen instemmen met toewijzing van de gewijzigde vordering, met dien verstande dat zij bereid is als voorziening voor de naar het perceel van [geïntimeerde] gekeerde zijkanten van de balkons van de appartementen A08, A019, B025 en B029 (telkens de linkerzijkanten van de balkons) privacyschermen als bedoeld in 3.4 aan te brengen. Wel dienen de proceskosten volgens [appellante] voor rekening van [geïntimeerde] te komen. Thans wordt namelijk iets anders toegewezen dan oorspronkelijk aan de orde, terwijl er nooit discussie is geweest over het ondoorzichtig en dicht maken van de ramen aan de achterzijde van appartementengebouw B en [appellante] reeds in een vroegtijdig stadium heeft aangegeven bereid te zijn voormelde balkons van een privacyscherm te voorzien.

3.6 [geïntimeerde] voert aan dat de proceskosten voor rekening van [appellante] moeten komen omdat [appellante] eerst bij productie 5 van de akte van 1 juni 2010 impressietekeningen heeft overgelegd, waaruit [geïntimeerde] kon afleiden hoe de appartementengebouwen eruit zouden komen te zien.

3.7 Recapitulerend zijn partijen het erover eens dat het bestreden vonnis vernietigd moet worden, dat de gewijzigde eis, uitgaande van de plaatsing van privacyschermen als gevorderde voorziening, toegewezen kan worden, en dat het hof enkel nog hoeft te beslissen over de proceskosten.

3.8 Het hof zal het bestreden vonnis derhalve vernietigen en de gewijzigde eis, als na te noemen, toewijzen. Ten aanzien van de proceskosten overweegt het hof dat [geïntimeerde], gezien de inhoud van zijn oorspronkelijke vordering, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. Om die reden zal [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties worden veroordeeld. Reeds vanwege het voorgaande gaat het hof voorbij aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde].





4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht van 21 april 2010 en doet opnieuw recht;

bepaalt dat de ramen van de appartementen B022 tot en met B029 die zich bevinden aan de – langs de grens tussen de erven van [geïntimeerde] en [appellante] gelegen – achterzijde van het appartementengebouw B en rechtstreeks uitzicht geven op [geïntimeerde] erf, ondoorzichtig en niet te openen zullen zijn;

bepaalt dat op de balkons van de appartementen A08, A019, B025 en B029, aan de zijde die rechtstreeks uitzicht geeft op het perceel van [geïntimeerde] (telkens de linkerzijde van het balkon), een privacyscherm moet worden aangebracht zo hoog als de naastgelegen deur, op zodanige wijze dat door dat scherm geen zicht op het naburige perceel mogelijk is;

bepaalt dat [appellante] een brief dient te sturen aan de (toekomstige) eigenaren van de appartementen A08, A019, B025 en B029 waarin wordt uitgelegd dat verwijdering van het aangebrachte privacyscherm strijd oplevert met het bepaalde in artikel 5:50 BW en waarin de eigenaren wordt verzocht die informatie door te geven aan de opvolgende eigenaren;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg begroot op € 816,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 263,- voor vast recht en wat betreft het hoger beroep begroot op € 2.682,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 73,89 voor explootkosten en € 314,- voor vast recht.





Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, A. Smeeïng-van Hees en S.B. Boorsma en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2010.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl