Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BN0726,Sector kanton Rechtbank Utrecht , 643019 UC EXPL 09-12065

Datum uitspraak: 14-07-2010
Inhoudsindicatie: Vakbonden vorderen van werkgever, lid van de werkgeversvereniging die partij is bij de CAO Railinfrastructuur, naleving van de CAO-regeling over een inconveniëntentoeslag voor het werken 's nachts en in het weekend. Uitleg van de CAO en de daarin voorkomende woorden 'de werknemer, die volgens de werktijdenregeling arbeid verricht.' Toewijzing van de vordering.





Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 643019 UC EXPL 09-12065 LH 464

vonnis d.d. 14 juli 2010

inzake

de verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid
1. De Nederlandse Bond voor de Bouw- en Houtnijverheid, tevens handelend onder de verkorte naam FNV Bouw,
gevestigd te Woerden,
2. Vakvereniging ‘Het Zwarte Corps’, tevens handelend onder de verkorte naam H.Z.C.,
gevestigd te Nieuwegein,
3. FNV Bondgenoten,
gevestigd te Utrecht,
4. De Nederlandse Christelijke Bond van Werknemers in de Hout- en Bouwnijverheid, tevens handelend onder de verkorte naam CNV Hout en Bouw,
gevestigd te Odijk,
verder samen ook te noemen de vakbonden,
eisende partij,
gemachtigden: mr. S.N. Ketting (voor eiseressen sub 1, 3 en 4) en mr. G. Sjoer (voor eiseres sub 2),

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VolkerRail Nederland B.V.,
gevestigd te Vianen,
verder ook te noemen VolkerRail,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. A.J.D. Bekius.





Het verloop van de procedure

De vakbonden hebben een vordering ingesteld.
VolkerRail heeft geantwoord op de vordering.
De vakbonden hebben voor repliek en VolkerRail heeft voor dupliek geconcludeerd.
Hierna is uitspraak bepaald.





De vaststaande feiten

1.1. De vakbonden hebben, ter behartiging van de belangen van hun leden die werkzaam zijn in de sector railinfrastructuur, met de werkgeversvereniging in deze bedrijfstak een collectieve arbeidsovereenkomst, de CAO Railinfrastructuur (hierna: de CAO) gesloten. VolkerRail is aangesloten bij de werkgeversvereniging, die partij is bij deze CAO.

1.2. In de CAO die is aangegaan voor de periode 1/2008 tot en met periode 4/2010 is in artikel 6 (‘Arbeidsduur en werktijden’) het volgende bepaald: ‘1. a. De normale arbeidsduur bedraagt bij een voltijddienstverband 160 uur per periode van vier weken, zijnde gemiddeld 40 uur per week. b. Ieder uur waarop de werknemer arbeid verricht, evenals vakantieverlof en verlof op doordeweekse feestdagen, doorbetaald buitengewoon verlof, afwezigheid wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschap en bevalling, minderuren ten opzichte van de planning in de zin van artikel 6.2.b., opgenomen tijdcompensatie, roostervrije diensten, brugnacht (artikel 6.2.h.) en scholing indien als dienst gepland, wordt gerekend tot het totaal van 160 uur per periode.’ In lid 2 (‘Kaders inzake arbeidsduur en werktijden uitvoerend personeel’) van artikel 6 CAO is onder b (‘Regeling Arbeidstijdenmanagement: Planning arbeidstijd en vrije tijd’) bepaald: ‘De werkgever zal uiterlijk op donderdag, voor de harde week, aan de werknemer schriftelijk de planning van zijn arbeidstijden mededelen. (-) Indien minder uren kunnen worden gewerkt dan in de planning aangegeven, worden de niet gewerkte uren toch gerekend tot het totaal van 160 uur per periode. (-) Indien de contracturen, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 sub b, over een periode minder zijn dan de gemiddelde 8 uur per dienst kan het aantal contracturen aangevuld worden conform de ‘Regeling Arbeidstijdenmanagement’, als vermeld in bijlage 11 van deze CAO. (-)’ Artikel 6 lid 1 onder f van de CAO (‘Lengte arbeidsduur per dienst’) luidt: ‘Voor de arbeidsduur per dienst gelden de volgende grenzen: - een minimum van 6 uur; (-) - voor nachtdiensten een maximum van 8 uur (-).’

1.3. De CAO kent in artikel 8 een regeling voor ‘bijzondere beloningen’. De aanhef van deze CAO-bepaling luidt: ‘Het bepaalde in dit artikel (-) is uitsluitend van toepassing op werknemers die zijn ingedeeld in de salarisschalen 1 t/m 6 en die werkzaam zijn in het profiel vrije ruimte en structureel en in overwegende mate werkzaamheden verrichten buiten het doordeweekse dagvenster en in weer en wind (-).’ Lid 1 van artikel 8 (‘Arbeid buiten het doordeweekse dagvenster’) luidt onder a.: ‘De werknemer, die volgens de werktijdenregeling arbeid verricht buiten het doordeweekse dagvenster, ontvangt een toeslag (-).’ Deze toeslag bedraagt een percentage van het uursalaris, en wel (vanaf periode 4/2008) 50% voor werk door de week ’s nachts, 75% voor werk overdag in het weekend, en 100% voor werk ’s nachts in het weekend.

1.4. Nadat de partijen in januari 2008 een principeakkoord over de CAO 2008/2010 hadden bereikt, heeft een der vakbonden er in het kader van het overleg met de werkgevers-vereniging over de vast te stellen tekst van de nieuwe CAO melding van gemaakt dat leden zich erover hadden beklaagd dat VolkerRail geen toeslag betaalt over de zes basisuren per dienst, indien niet gedurende die gehele minimumduur van een dienst kon worden gewerkt. In april 2009 heeft de Vakgroep Railinfra zich achter de door VolkerRail verdedigde uitleg van de CAO geschaard.





De vordering en de standpunten van partijen

2.1. De vakbonden vorderen dat wordt verklaard voor recht dat de door VolkerRail gehanteerde regeling voor het uitbetalen van toeslagen in de zin van artikel 8 lid 1 onder a CAO in strijd met de CAO, en daarom nietig, is. Voorts vorderen de vakbonden de veroordeling van VolkerRail om (A.) aan hen een deugdelijke lijst te verstrekken van (gewezen) werknemers die vanaf 1 januari 2008 tot en met 10 juli 2009 (de dag van de dagvaarding) onder artikel 8 lid 1 onder a CAO vielen en aan wie op grond van oorzaken die voor rekening en risico van VolkerRail komen niet de toeslag over ten minste 6 uur per dienst is betaald, en (B.) een behoorlijk bewijs van kwijting te verstrekken waaruit blijkt dat VolkerRail de genoemde toeslag heeft betaald, (C.) een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 750,-- per dag dat VolkerRail vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis niet aan het onder A. en B. gevorderde voldoet. Tevens vorderen de vakbonden dat VolkerRail wordt veroordeeld (D.) om artikel 8 lid 1 sub a CAO, met ingang van 10 juli 2009 en voor zover de CAO van toepassing is, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag stipt na te leven, en (E.) om aan hen een schadevergoeding in de zin van artikel 16 Wet CAO van € 5.000,-- te voldoen, met veroordeling van VolkerRail in de proceskosten.

2.2. De vakbonden leggen aan hun vordering ten grondslag dat VolkerRail verplicht is tot betaling van de toeslag in de zin van artikel 8 lid 1 onder a CAO, óók indien door een oorzaak die voor rekening van VolkerRail komt feitelijk minder dan de zes basisuren per dienst is gewerkt. Het komt in de sector vaak voor dat werknemers in de ‘harde planning’ hun werkzaamheden pas later kunnen aanvangen of eerder moeten beëindigen, bijvoorbeeld omdat de opdrachtgever het baanvak waaraan wordt gewerkt nog niet of niet langer heeft vrijgegeven. Indien om die reden niet gedurende de gehele dienst (die ingevolge artikel 6 lid 1 onder f CAO minimaal zes uur duurt) kan worden gewerkt, dient VolkerRail de werknemer niettemin zijn uursalaris, vermeerderd met de toeslag, over de niet gewerkte tijd te betalen. Zij hebben dan immers het ongemak van het ’s nachts en in het weekeind werken al ondervonden. De vakbonden baseren zich op het bepaalde in artikel 7:628 BW en op de CAO, waarin in zoverre niet ten nadele van de werknemer van de wet is afgeweken. In een voor de werknemer nadelige afwijking van de wet is slechts voorzien in de Regeling Arbeidstijdenmanagement, zoals opgenomen in bijlage 11 van de CAO. Daarin is, ‘in aanvulling op de artikelen 6 en 8’, bepaald dat indien minder uren kunnen worden gewerkt dan in de planning is aangegeven over het zevende en achtste uur van een dienst (waarvoor tijdcompensatie, roostervrije uren of reisuren worden aangewend) een toeslag van 60% wordt toegepast. Naar de vakbonden in 2008 van hun leden hebben begrepen, betaalt VolkerRail, overigens net als de andere werkgevers in de sector, de toeslag over de zes basisuren per dienst niet. VolkerRail is verplicht hen door het verstrekken van de verlangde gegevens in staat te stellen op naleving van de CAO toe te zien. Zij dient de door de vakbonden geleden schade wegens verlies aan werfkracht en prestige te vergoeden.

3. VolkerRail betwist de vordering. Door het verschil van mening over de uitleg van artikel 8 lid 1 onder a CAO aan de rechter voor te leggen, misbruiken de vakbonden hun bevoegdheid, nu zij voor de door hen bepleite uitleg in de onderhandelingen over de CAO 2008/2010 bij de werkgeversvereniging geen gehoor hebben gevonden. De tekst van de litigieuze bepalingen is vanaf april 1997 gelijkluidend geweest. In al die tijd heeft VolkerRail, net als de beide andere grote werkgevers in de sector, in de door de vakbonden genoemde situaties nimmer een toeslag betaald over (binnen de minimum duur van een ‘hard’ geplande dienst) feitelijk niet gewerkte uren. Daartegen hebben de vakbonden zich niet eerder verzet. Tot meer dan doorbetaling van het geldende uursalaris is VolkerRail op grond van de wet of de CAO niet gehouden, indien werknemers minder dan zes uur per dienst hebben kunnen werken, óók niet indien de oorzaak daarvan voor haar rekening behoort te komen. Voor zover artikel 7:628 BW de werknemers al een aanspraak op toeslag zou geven (hetgeen wordt betwist) is daarvan bij de CAO ten nadele van de werknemers afgeweken. Artikel 8 lid 1 onder a CAO geeft de werknemer immers slechts recht op toeslag in het geval buiten het doordeweekse dagvenster - daadwerkelijk - ‘arbeid verricht’ wordt. Omdat deze bepaling taalkundig niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, komt geen betekenis toe aan elders in de CAO gebruikte formuleringen. Overigens maakt de CAO in artikel 6 lid 1 onder b een duidelijk onderscheid tussen feitelijk gewerkte uren (waarin in de formulering van de CAO ‘arbeid verricht’ wordt) en fictieve uren, samen vormende de normale arbeidsduur. De door VolkerRail voorgestane uitleg leidt tot het aannemelijke rechtsgevolg dat alleen recht op toeslag bestaat indien en zolang de werknemer ongemak ondervindt van het werken op inconveniënte tijden en ‘in weer en wind’. Van een dergelijk ongemak is geen sprake als de werknemer gedurende een deel van een ingeplande dienst niet kan werken. Zo bestaat ook voor een zogenoemde ‘brugnacht’ alleen recht op het basissalaris. VolkerRail verweert zich tegen de vordering tot verstrekking van gegevens, omdat de vakbonden geen aanspraak kunnen maken op gegevens van haar werknemers die geen lid van de vakbonden zijn. De vordering tot vergoeding van schade wordt bestreden, omdat de vakbonden de imagoschade mede zelf hebben veroorzaakt.





De beoordeling van het geschil

4.1. Alvorens aan de beoordeling van de kern van het geschil toe te komen, overweegt de kantonrechter omtrent de preliminaire verweren van VolkerRail als volgt. In haar standpunt dat de vakbonden hun bevoegdheid om het geschil over de uitleg van de CAO aan de rechter voor te leggen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend, wordt VolkerRail niet gevolgd. De vakbonden hebben een gerechtvaardigd belang bij een rechterlijke uitspraak over de uitleg van de CAO, omdat partijen hierover geen overeenstemming hebben weten te bereiken. Dit wordt niet anders nu de kwestie in de aan de CAO 2008/2010 voorafgegane onderhandelingen onderwerp van overleg tussen de CAO-partijen is geweest en de vakbonden zich er begin 2008 bij hebben neergelegd dat niet (reeds) in die CAO een verduidelijking werd aangebracht, zodanig dat de tekst die tot het interpretatiegeschil aanleiding gaf werd aangepast. Juist nu de CAO-tekst vanaf 1 januari 2008 ongewijzigd is gebleven, hebben de vakbonden er belang bij te weten hoe de rechter over het geschil oordeelt.

4.2. Dat de tekst van de achtereenvolgende CAO’s - voor zover in dit geding van belang - vanaf 1997 heeft geluid zoals die ook voor de periode 2008/2010 door CAO-partijen is overeengekomen, dat de werkgevers in de sector in die (elf) jaar artikel 8 lid 1 onder a CAO mogelijk steeds hebben toegepast zoals VolkerRail doet, en de vakbonden zich in die tijd nooit op het standpunt hebben gesteld dat die toepassing op een onjuiste uitleg van de CAO was gestoeld, staat er - anders dan VolkerRail betoogt - evenmin aan in de weg dat de vakbonden het geschil aan de rechter voorleggen. Voor zover VolkerRail heeft bedoeld zich op rechtsverwerking te beroepen, wordt dit beroep verworpen, omdat de vakbonden hebben gesteld dat hun leden zich niet eerder dan begin 2008 bij hen over de toepassing van de CAO-bepaling hebben beklaagd. Daartegenover heeft VolkerRail niet gesteld dat de kwestie eerder tot geschil aanleiding heeft gegeven en onderwerp van debat met de vakbonden is geweest. Partijen zijn het erover eens dat het spoorwegennet de laatste jaren intensiever dan voorheen wordt gebruikt, zodat aannemelijk is dat de kwestie in de sector eerst recent - op brede schaal - is gaan spelen. Hun recht om op te komen voor een voor hun leden gunstige uitleg van de CAO hebben de vakbonden onder deze omstandigheden, dus door het enkele stilzitten, niet verwerkt. Zij hebben er - voorshands - mee mogen volstaan alleen VolkerRail te dagvaarden. Voor zover de situatie bij andere werkgevers in de sector vergelijkbaar is, ligt een minnelijke oplossing aldaar, aan de hand van het oordeel in dit geding, in de rede. Voor zover deze werkgevers andere dan de door VolkerRail gevoerde verweren willen voeren, staat het hen uiteraard vrij te beargumenteren dat het oordeel in dit geding voor hen niet geldt.

4.3. Als uitgangspunt voor de uitleg van de bepalingen van een CAO geldt dat in beginsel de bewoordingen daarvan en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn (vgl. Hoge Raad 17 september 1993 NJ 1994,173). Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de cao, voor zover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Dit geldt evenzeer als het geschil omtrent de uitleg is gerezen tussen, of met, partijen die bij de totstandkoming van de CAO waren betrokken, nu niet kan worden aanvaard dat een in een CAO opgenomen beding, dat bedoeld is om tussen individuele werknemers en werkgevers te werken, op verschillende wijze zou moeten worden uitgelegd al naar gelang wie bij een geschil daaromtrent als procespartijen optreden (vgl. Hoge Raad 26 mei 2000 NJ 2000,473). De in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde 'CAO-norm' brengt niet mee dat de uitleg dient plaats te vinden op grond van louter de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de CAO is gesteld. De uitleg dient te geschieden naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (vgl. Hoge Raad 31 mei 2002 JAR 2002,153). Wèl is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van groot belang, maar mede betekenis komt toe aan de ratio van de betreffende regeling, de redelijkheid van de uitkomst en de mate waarin de uitleg past binnen het systeem van de regeling als geheel, waarvan de bepaling waarop een beroep wordt gedaan deel uitmaakt (vgl. HR 20 februari 2004 NJ 2005, 493).

4.4. Bij de beoordeling van het geschil hecht de kantonrechter - anders dan VolkerRail heeft betoogd - geen waarde aan de wijze waarop de betreffende CAO-bepaling in haar visie sinds jaar en dag in de sector wordt toegepast. Nu niet is gesteld of gebleken dat de vakbonden zich daarbij in een eerder stadium hebben neergelegd, komt aan die (vermeende) toepassingspraktijk in dit geding geen betekenis toe, omdat een eerdere - ook langdurige - onjuiste uitleg van een CAO-bepaling niet rechtvaardigt dat die verkeerde interpretatie als de juiste heeft te gelden. Zo daarvoor reden bestaat, is het aan de rechter om desgevorderd aan die verkeerde toepassingspraktijk een einde te maken.

4.5. Met de onder 4.3. omschreven wijze van uitleg strookt het niet om - zoals VolkerRail bepleit - de bedoelde uitlegnorm alleen toe te passen indien de tekst van de CAO-bepaling niet duidelijk is. Is het niet reeds zo dat elke tekst naar gelang van de feiten en omstandigheden van het geval een uitlegvraag - en daarmee verschillende interpretaties - kan oproepen (in de woorden van dichter Martinus Nijhoff :‘De schrijfmachine mijmert gekkepraat. Lees maar, er staat niet wat er staat’), dan is het toch niet in overeenstemming met de genoemde geobjectiveerde uitleg om te volstaan met een taalkundige uitleg, indien de tekst op het eerste gezicht niet voor meerdere uitleg vatbaar lijkt. De kern van de voorgeschreven uitleg is immers dat met een grammaticale uitleg juist nìet kan worden volstaan.

4.6. Partijen beroepen zich, voor hun uiteenlopende uitleg van artikel 8 lid 1 onder a CAO, beiden op elders in de CAO gebruikte formuleringen. Met name uit het feit dat in artikel 6 lid 1 onder b CAO onder de ‘normale arbeidstijd’ zowel feitelijk gewerkte uren wordt verstaan als uren die als gewerkte uren worden aangemerkt zonder dat is gewerkt, trekken partijen tegengestelde conclusies. VolkerRail benadrukt het onderscheid tussen werkelijke en fictieve uren, terwijl de vakbonden op de gelijkstelling van het een aan het ander wijzen. De kantonrechter acht voor de uitleg van belang dat de strekking van artikel 6 lid 1 onder b en artikel 6 lid 2 onder b en f CAO kennelijk deze is, dat bepaalde uren waarop niet is gewerkt om een reden die aan de werknemer niet kan worden toegerekend op één lijn worden gesteld met feitelijk gewerkte uren. Ofschoon aan VolkerRail kan worden toegegeven dat de woorden ‘arbeid verricht’ zowel in artikel 6 lid 1 onder b als in artikel 8 lid 1onder a CAO voorkomen, kan daaraan niet de door haar bepleite gevolgtrekking worden verbonden dat daaraan in laatstgenoemde bepaling, net als kennelijk in de eerstgenoemde, de betekenis toekomt van ‘feitelijk (of daadwerkelijk) gewerkt’. In haar betoog ziet VolkerRail eraan voorbij dat in artikel 8 lid 1 onder a CAO door de formulering ‘volgens de werktijden-regeling arbeid verricht’ een uitdrukkelijke verbinding wordt gelegd met hetgeen artikel 6 lid 2 onder b CAO (waarnaar ook in artikel 6 lid 1 onder b CAO wordt verwezen) over ‘minderuren’ bepaalt alsmede met de gegarandeerde minimum lengte van de arbeidsduur per dienst in artikel 6 lid 2 onder f CAO.

4.7. Voor de door de vakbonden voorgestane uitleg pleit tevens de ratio van de regeling van de ‘harde planning’ voor uitvoerend personeel. Deze is kennelijk bedoeld om werknemers die op inconveniënte tijden (’s nachts of in het weekeind) hun arbeid moeten verrichten, daarvoor een financiële genoegdoening te geven. Daarmee strookt het niet om aan hen die voor dergelijk werk zijn ingepland deze - aanzienlijke - extra beloning te onthouden in het geval er om voor rekening en risico van hun werkgever komende redenen (deels) niet kan worden (door)gewerkt. Het ongemak dat gepaard gaat met het werken in de normaliter voor nachtrust of vrijetijdsbesteding bestemde tijd neemt niet navenant af ingeval op de werkplek moet worden gewacht tot het werk kan worden begonnen of hervat. Dat dit mogelijk anders is als de dienst voor de resterende tijd wordt gestaakt en de werknemer eerder naar huis mag, is niet relevant, omdat de CAO-regeling daarnaar niet differentieert.

4.8. De door VolkerRail gemaakte vergelijking met de zogenoemde ‘brugnacht’, waarvoor geen recht op toeslag bestaat, gaat mank, omdat de situatie van een werknemer die een ingeplande (nacht- of weekend-)dienst niet kan aanvangen of moet afbreken vanuit het oogpunt van het ongemak dat met het werken op inconveniënte tijden gepaard gaat een wezenlijk andere is dan die van de werknemer die gedurende een reeks van nachtdiensten een nacht niet werkt.

4.9. Voor zover VolkerRail heeft willen betogen dat aan de in de aanhef van artikel 8 CAO gebruikte woorden ‘in weer en wind’ bij de uitleg van artikel 8 lid 1 onder a CAO een beperkende werking toekomt, volgt de kantonrechter haar daarin niet, omdat die aanhef slechts een omschrijving geeft van de groep werknemers die op de toeslag aanspraak kunnen maken. Daarvoor moet onder meer zijn voldaan aan het vereiste dat het gaat om werknemers die ‘structureel en in overwegende mate werkzaamheden verrichten buiten het doordeweekse dagvenster en in weer en wind.’ Kennelijk gaat het bij de leden voor wie de vakbonden in dit geding opkomen om deze groep. Dat zij mogelijk gedurende een deel van de tijd die zij van hun ingeplande dienst niet kunnen werken niet aan ‘weer en wind’ bloot staan, bijvoorbeeld omdat zij beschut kunnen wachten totdat (weer) kan worden gewerkt, doet aan hun recht op toeslag over die tijd niet af. Zij hebben immers ook voor die - door VolkerRail niet benutte – ingeplande tijd hun sociaal leven aangepast en daardoor het ongemak ondervonden waarvoor de toeslag een compensatie beoogt te bieden.

4.10. Het beroep dat VolkerRail op ‘het systeem van de CAO’ heeft gedaan, faalt omdat haar argumentatie dienaangaande, dat de CAO onderscheidt tussen het periodesalaris voor alle uren en de bijzondere beloning voor verrichte arbeid, aan een ‘petitio principii’ lijdt. Het is namelijk juist de vraag òf de CAO dat onderscheid maakt, respectievelijk of daaraan het door VolkerRail verbonden rechtsgevolg toekomt. Zoals uit het voorgaande volgt, beantwoordt de kantonrechter die vraag ontkennend.

4.11. In de hierboven uiteengezette uitleg van artikel 8 lid 1 onder a CAO is van een voor de werknemers nadelige afwijking van artikel 7:628 BW geen sprake. Veeleer geeft de CAO-bepaling een voor de werknemers gunstigere regeling dan de wettelijke. Uitgesloten wordt immers een mogelijke discussie over de vraag of een bepaalde oorzaak voor het minder werken dan in de planning is aangegeven in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. In het midden wordt daarom gelaten of de werknemers enkel op grond van artikel 7:628 BW aanspraak op toeslag zouden hebben gehad, meer in het bijzonder of de toeslag onder ‘het naar tijdruimte vastgestelde loon’ moet worden begrepen, óók indien geen werk voorhanden is dat op die toeslag recht geeft.

4.12. Toewijsbaar is de gevorderde verklaring voor recht dat VolkerRail in strijd met de CAO handelt door aan werknemers als bedoeld in artikel 8 aanhef van de CAO de toeslag van artikel 8 lid 1 onder a CAO voor (een deel van) de minimum duur van zes uur per dienst te onthouden. De kantonrechter overweegt hierbij dat VolkerRail, als lid van de werkgeversvereniging die partij is bij de CAO, door de CAO is gebonden in de zin van artikel 9 lid 1 Wet CAO, zodat zij ingevolge het tweede lid van dat artikel gehouden is de CAO ten uitvoer te brengen, als had zij zich zelf daartoe verbonden. Op grond van artikel 14 Wet CAO zijn de vakbonden, teneinde het ontgaan van de CAO te voorkómen, gerechtigd tevens naleving van de CAO te verlangen voor zover het werknemers van VolkerRail betreft die door de CAO niet gebonden zijn. Juist omdat die (on- of anders georganiseerde) werknemers jegens hun werkgever zelf geen rechten aan de CAO ontlenen, hebben de vakbonden er belang bij dat de CAO ook jegens hen wordt nageleefd. Voor zover de vakbonden ook voor niet-leden vorderen dat voor recht wordt verklaard dat sprake is van nietigheid, is de vordering slechts toewijsbaar indien en voor zover artikel 8 lid 1 onder a CAO algemeen verbindend is verklaard.

4.13. Uit het voorgaande vloeit voort dat tevens toewijsbaar is de vordering tot verstrekking van de door de vakbonden gevorderde benodigde gegevens (als in het petitum onder A. en B. bedoeld), óók waar het werknemers betreft die geen lid van de vakbonden zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 9 lid 2 Wet CAO dient VolkerRail de vakbonden in staat te stellen te controleren of de CAO wordt nageleefd. Haar wordt, gezien de omvang van de door VolkerRail te verstrekken informatie, gedurende 30 dagen na betekening van dit vonnis de gelegenheid gegeven om de onder A. gevorderde gegevens te verstrekken. Binnen 14 dagen na afloop van deze termijn, dient VolkerRail aan de vakbonden een behoorlijk bewijs van kwijting (als onder B. gevorderd) te verschaffen. Voldoening aan deze veroordelingen zal, zoals gevorderd, worden versterkt met een dwangsom van € 750,-- per dag dat VolkerRail daaraan niet voldoet. Het maximum van de te verbeuren dwangsommen wordt gesteld op € 250.000,--.

4.14. VolkerRail wordt voorts veroordeeld om vanaf 11 juli 2009 de CAO, in de hierboven uiteengezette zin, na te leven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag dat zij dit vanaf 30 dagen na betekening van dit vonnis achterwege laat. Het maximum van de te verbeuren dwangsommen wordt gesteld op € 250.000,--.

4.15. Ook de gevorderde schadevergoeding in de zin van artikel 15 en 16 Wet CAO is toewijsbaar, omdat onvoldoende gemotiveerd is weersproken dat de niet-naleving van de CAO door VolkerRail voor de vakbonden tot verlies aan werfkracht en reputatieschade heeft geleid. Van eigen schuld van de vakbonden is geen sprake, omdat de onjuistheid van de uitleg die VolkerRail aan de CAO heeft gegeven niet aan de vakbonden kan worden toegerekend. Zij hebben, toen begin 2008 was gebleken dat de CAO op een door hen gelaakte wijze werd uitgevoerd, tijdig op collectief overleg daarover aangedrongen en zich ingespannen om de tekst voor de huidige tijd, waarin het spoor intensiever wordt gebruikt, te verduidelijken. De schade wordt naar billijkheid gesteld op € 5.000,--.

4.16. VolkerRail wordt, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten.





De beslissing

De kantonrechter:

5.1. verklaart voor recht dat VolkerRail in strijd met de CAO handelt door aan haar werknemers als bedoeld in artikel 8 aanhef van de CAO de toeslag van artikel 8 lid 1 onder a CAO voor (een deel van) de minimum duur van zes uur per dienst te onthouden;

5.2. verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomsten tussen VolkerRail en de bij haar in dienst zijnde leden van de vakbonden nietig zijn, voor zover daarin aan deze werknemers, op wie artikel 8 aanhef van de CAO van toepassing is, de toeslag van artikel 8 lid 1 onder a CAO voor (een deel van) de minimum duur van zes uur per dienst wordt onthouden;

5.3. verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomsten tussen VolkerRail en haar werknemers die niet of anders zijn georganiseerd, gedurende de periode waarin artikel 8 lid 1 onder a CAO Railinfrastructuur 2008/2010 algemeen verbindend is verklaard, nietig zijn, voor zover daarin aan deze werknemers, op wie artikel 8 aanhef van de CAO van toepassing is, de toeslag van artikel 8 lid 1 onder a CAO voor (een deel van) de minimum duur van zes uur per dienst wordt onthouden;

5.4. veroordeelt VolkerRail om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis aan de vakbonden te verstrekken een deugdelijke lijst van werknemers en gewezen werknemers, op wie vanaf 1 januari 2008 tot en met 10 juli 2009 artikel 8 aanhef van de CAO van toepassing was en aan wie over deze periode op grond van een oorzaak die voor rekening van VolkerRail komt niet de toeslag van artikel 8 lid 1 onder a CAO is betaald. Deze lijst dient ten minste te bevatten de naam en woonplaats van de betreffende werknemers, de data waarop en het aantal uren dat in genoemde periode geen arbeid kon worden verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van VolkerRail komt, het uursalaris van de betreffende werknemers en het aantal uren waarover geen toeslag over de zes basisuren per dienst is betaald;

5.5. veroordeelt VolkerRail om binnen 14 dagen na afloop van de onder 5.4. genoemde termijn van 30 dagen aan de vakbonden een behoorlijk bewijs van kwijting te verstrekken, waaruit blijkt dat zij aan de betreffende werknemers alsnog de verschuldigde toeslag in de zin van artikel 8 lid 1 onder a CAO heeft voldaan;

5.6. veroordeelt VolkerRail om aan de vakbonden een dwangsom van € 750,-- te voldoen voor elke dag dat zij niet voldoet aan de veroordeling onder 5.4. en 5.5., tot een maximum van € 250.000,-- aan in totaal te verbeuren dwangsommen;

5.7. veroordeelt VolkerRail om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis artikel 8 aanhef en lid 1 onder a CAO over de periode vanaf 11 juli 2009 na te leven door aan haar werknemers, op wie artikel 8 aanhef van de CAO van toepassing is, de toeslag van artikel 8 lid 1 onder a CAO over de minimum duur van zes uur per dienst te voldoen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag dat zij hieraan niet voldoet, tot een maximum van € 250.000,-- aan in totaal te verbeuren dwangsommen;

5.8. veroordeel VolkerRail om aan de vakbonden tegen bewijs van kwijting te betalen € 5.000,-- aan schadevergoeding;

5.9. veroordeelt VolkerRail tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de vakbonden, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.493,98, waarin begrepen € 1.200,-- aan salaris gemachtigden;

5.10. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.11. wijst het meer of anders gevorderde af.





Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2010.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl