Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BN0588,Sector kanton Rechtbank 's-Hertogenbosch , 691356

Datum uitspraak: 06-07-2010
Inhoudsindicatie: Small Claim procedure; door verweerder is verweer gevoerd. Kantonrechter is bevoegd op grond van artikel 5 lid 1 sub b EEX-Verordening. Partijen stilzwijgend gekozen voor toepassing Nederlands recht, na niet aanvaarding algemene voorwaarden door verweerder. Overeenkomst van opdracht; op grond van artikel 7:405 BW dient verweerder een redelijk en gebruikelijk loon te betalen.





Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH
Sector Kanton, locatie Eindhoven

Beschikking op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007 in de zaak van:

VMBS Advocaten BV,
gevestigd te Eindhoven,
eiseres,
gemachtigde: mr. drs. A.M.C. Kleinhuis-Machielse, advocate te Eindhoven (Postbus [postbusnummer]),

tegen

[verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerder,
procederend in persoon,

Partijen worden aangeduid als "VMBS" en "[verweerder]".





1. Procedure

1.1 De kantonrechter heeft kennis genomen van het standaard vorderingsformulier A van bijlage I van Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: de Verordening), ingekomen ter griffie op 7 mei 2010, met daaraan gehecht acht producties.

1.2 [verweerder] is bij aangetekende brief van 11 mei 2010 in de gelegenheid gesteld middels het standaardformulier C van bijlage III van de Verordening, verweer te voeren tegen de vordering. De griffier heeft bij het standaardformulier C een afschrift van het standaard vorderingsformulier A, met twaalf producties, gevoegd, alsmede, ingevolge artikel 8 lid 1 van de Betekeningsverordening nr. 1393/2007, bijlage II 'mededeling aan de geadresseerde inzake zijn recht om de ontvangst van een stuk te weigeren.

1.3 Op 2 juni 2010 heeft [verweerder] het ingevulde en geretourneerde antwoordformulier (formulier C van bijlage III van de Verordening) voorzien van twee producties aan de kantonrechter toegezonden. Het formulier is ingekomen ter griffie op 8 juni 2010. Een kopie van deze stukken is aan VMBS gezonden.

1.4. Vervolgens is de beschikking bepaald op heden.





2. Vordering

2.1 VMBS legt het navolgende aan haar vordering ten grondslag. Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten voor het leveren van juridische bijstand. Die overeenkomst is bevestigd bij brief van 9 oktober 2009. De werkzaamheden die VMBS heeft verricht, zijnde een gesprek van 2,5 uur, zijn in rekening gebracht bij [verweerder], middels een factuur ten bedrage van Ä 669,37. [verweerder] weigert dit bedrag, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente, te voldoen. Ten slotte vordert VMBS vergoeding van de proceskosten.





3. Beoordeling

3.1 De Europese procedure voor geringe vorderingen is - zakelijk weergegeven - in grensoverschrijdende gevallen van toepassing in burgerlijke en handelszaken, indien de waarde van een vordering, alle rente, kosten en uitgaven niet meegerekend, op het tijdstip dat het vorderingsformulier ter griffie van de rechtbank wordt ontvangen, niet meer bedraagt dan Ä 2.000,=, behoudens de in artikel 2 van de Verordening genoemde uitzonderingen.

3.2 De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de Verordening valt en dat hij op grond van artikel 5 lid 1 sub b EEX-Verordening ('plaats van uitvoering van de verbintenis', namelijk waar de diensten zijn verstrekt) bevoegd is van de vordering kennis te nemen nu van toepasselijkheid van de artikelen 15 e.v. EEX-Vo niet is gebleken.

3.3 VMBS beroept zich in haar algemene voorwaarden op de toepasselijkheid van het Nederlands recht. Echter heeft [verweerder] deze algemene voorwaarden, zoals bij de brief van 9 oktober 2009 gevoegd, niet aanvaard. Niettemin hebben partijen zich niet nader uitgelaten over het toepasselijke recht. De kantonrechter begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van beide partijen, dat partijen stilzwijgend voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.

3.4 Naar het oordeel van de kantonrechter is uit de overgelegde processtukken het volgende vast komen te staan. Mr. Schelfaut, advocaat bij VMBS en [verweerder] hebben begin oktober 2009, na een telefonische afspraak, een twee en een half uur durend gesprek gevoerd. Zoals door VMBS in de brief van 25 februari 2010, onweersproken, weergegeven heeft het gesprek aanvankelijk een oriŽnterend karakter gehad en is vervolgens een inventarisatie gemaakt van de relevante feiten en omstandigheden en zijn de mogelijke richtingen besproken.

3.5 Voorafgaand aan dit gesprek heeft begin oktober 2009 een telefoongesprek tussen partijen plaatsgevonden en heeft mr. Schelfaut aangegeven dat zijn kantoor een uurtarief hanteert ten bedrage van Ä 225,=. Daarnaast heeft mr. Schelfaut ten aanzien van de kosten medegedeeld 'niet op de zaken vooruit te lopen', aldus [verweerder] in zijn verweerschrift.

3.6 [verweerder] mocht uit de mededelingen van mr. Schelfaut in het telefoongesprek, alsmede gezien de langdurige en inhoudelijke bespreking op diens kantoor, in redelijkheid niet verwachten dat dit gesprek geheel gratis zou zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter dient [verweerder] dan ook, ingevolge artikel 7:405 Burgerlijk Wetboek (BW) een redelijk en gebruikelijk loon te betalen. De kantonrechter merkt hierbij op dat het eerste, oriŽnterende deel van het gesprek, in het licht van de geschetste omstandigheden, van - geschat - een half uur voor rekening van VMBS dient te komen nu niet klip en klaar is gebleken dat VMBS [verweerder] heeft medegedeeld dat het uurtarief voor het gehele gesprek zou gelden. De kantonrechter wijst een bedrag van Ä 535,50 toe, zijnde twee uur Š Ä 267,75 inclusief BTW per uur.

3.7 De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt niet toegewezen. Dit deel van de vordering is, zo stelt VMBS, gebaseerd op haar algemene voorwaarden. Onder verwijzing naar onderdeel 3.3 overweegt de kantonrechter dat nu de algemene voorwaarden geen deel van de overeenkomst uitmaken en overigens slechts beperkte buitengerechtelijke activiteiten zijn gebleken, de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen.

3.8 De vordering tot betaling van wettelijke rente is door [verweerder] niet weersproken en zal worden toegewezen, zoals gevorderd bij dagvaarding.

3.9. [verweerder] zal als de meest in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten.

3.10 Op verzoek van VMBS zal een certificaat betreffende een beslissing in de Europese procedure voor geringe vorderingen (formulier D van bijlage IV van de Verordening) aan deze beschikking worden gehecht.





4. Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [verweerder] om, tegen deugdelijk bewijs van kwijting, aan VMBS te voldoen een bedrag groot Ä 535,50, ter zake hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na factuurdatum tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van dit geding, aan de zijde van VMBS tot op heden begroot op een totaalbedrag van Ä 258,=, zijnde Ä 158,= ter zake griffierecht en Ä 100,= wegens gemachtigdensalaris.





Gewezen door mr. R.R.M. de Moor, kantonrechter, en op 6 juli 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl