Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-
Faillissementswet
artikel 39

LJN: BL5105, Gerechtshof Amsterdam , 200.013.985

Datum uitspraak: 11-02-2010
Rechtsgebied: Faillissement
Inhoudsindicatie: Aansprakelijkheid boedel wegens faillissement huurder. Art. 7:266 BW, 39 FW





Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.013.985
(zaaknummer rechtbank 529150)

arrest van de vijfde civiele kamer van 16 februari 2010

inzake

mr. A.S.K. Terng q.q.,
in zijn hoedanigheid van curator in
het faillissement van [gefailleerde],
kantoorhoudend te Almere,
appellant in het principaal hoger beroep,
geÔntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R. Kuizenga,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Den Treek-Henschoten B.V.,
gevestigd te Utrecht,
geÔntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. F.B. Falkena.





1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 5 september 2007, 14 november 2007 en 11 juni 2008 die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatier Amersfoort) tussen principaal appellant (hierna ook te noemen: de curator) als (mede) gedaagde en principaal geÔntimeerde (hierna ook te noemen: Den Treek) als eiseres gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.





2. Het geding in hoger beroep

2.1 De curator heeft bij exploot van 8 september 2008, zoals hersteld bij exploot van 12 september 2008, Den Treek aangezegd van de vonnissen van 5 september 2007 en 11 juni 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Den Treek voor dit hof. Daarbij heeft de curator drie grieven tegen het vonnis van 11 juni 2008 aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof dat vonnis van 11 juni 2008 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de vordering van Den Treek alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Den Treek in de kosten van het geding in beide instanties.

2.2 Na het aanvankelijk verleende verstek te hebben gezuiverd, heeft Den Treek bij memorie van antwoord de grieven bestreden, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het vonnis van 11 juni 2008 zal bekrachtigen, met veroordeling van de curator in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep.

2.3 Bij dezelfde memorie heeft Den Treek incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 11 juni 2008 en daartegen ťťn grief aangevoerd en toegelicht. Ook heeft zij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Den Treek heeft gevorderd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest zal beslissen dat de curator aan Den Treek dient te voldoen de huur(achterstand) over de periode van 2 februari 2005 tot 2 mei 2007 (datum ontbinding), althans over de periode van 2 februari 2005 tot 22 augustus 2008 (datum ontruiming), met veroordeling van de curator in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft de curator verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het vonnis van 11 juni 2008 zal vernietigen en de vordering van Den Treek alsnog zal afwijzen, met de veroordeling van Den Treek in de kosten van beide instanties.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.





3. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de navolgende feiten vast:

3.1 Op grond van een op 24 november 1972 ondertekend huurcontract huurde [gefailleerde] van Den Treek, althans van haar rechtsvoorgangster (die hierna ook zal worden begrepen onder: Den Treek) de woning met tuin en bos aan de [adres] (hierna te noemen: de woning).

3.2 [gefailleerde] is in het huwelijk getreden met [B] (hierna: [B]). De woning strekte hen tot hoofdverblijf en [B] werd toen van rechtswege medehuurster.

3.3 Met ingang van augustus 1999 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling op [gefailleerde] uitgesproken en deze is tot augustus 2004 op [gefailleerde] van toepassing geweest.

3.4 Bij vonnis van 2 februari 2005 heeft de rechtbank Utrecht [gefailleerde] failliet verklaard en mr. drs. G.C. van Daal als curator aangesteld, in wiens plaats bij beschikking van 12 juli 2006 mr. A.S.K. Terng is benoemd.

3.5 Bij brief van 17 februari 2005 aan de curator en [B] heeft Den Treek met een beroep op artikel 39 van de Faillissementswet (hierna: Fw) de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 juni 2005.

3.6 Het door [gefailleerde] met [B] gesloten huwelijk is ontbonden en [B] heeft de woning in februari 2006 verlaten.

3.7 [gefailleerde] is op 18 december 2006 een geregistreerd partnerschap aangegaan met [C] (hierna: [C]). [C] had (in ieder geval) sindsdien ook hoofdverblijf in de woning. [gefailleerde] en [C] zijn op 4 juni 2007 met elkaar gehuwd.

3.8 Op vordering van Den Treek heeft de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort) in een procedure (met zaaknummer 399077 CV 05-1069) tegen [gefailleerde] en [B] bij vonnis van 2 mei 2007 de tussen Den Treek en [gefailleerde] bestaande huurovereenkomst ontbonden en [gefailleerde] veroordeeld de woning met de zijnen te ontruimen en verlaten.





4. De motivering van de beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1 Hoewel de curator bij de dagvaarding in hoger beroep ook is opgekomen tegen het tussenvonnis van 5 september 2007, zijn tegen dat vonnis geen grieven aangevoerd. Daarom zal het hof de curator niet-ontvankelijk verklaren in zijn principaal hoger beroep tegen het vonnis van 5 september 2007.

4.2 Den Treek heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld tegen [gefailleerde], [C] en de curator. Op die vordering is bij het bestreden vonnis - zakelijk weergegeven - de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden en zijn [gefailleerde] en [C] veroordeeld om de woning te ontruimen. Tevens zijn [gefailleerde], [C] en de curator hoofdelijk veroordeeld tot betaling van Ä 1.746,90 aan huurachterstand tot en met juni 2007, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2007. Ook zijn [gefailleerde], [C] en de curator hoofdelijk veroordeeld tot betaling van Ä 545,86 voor (het gedeelte van) iedere maand dat de woning vanaf 1 juli 2007 niet is ontruimd. De curator is veroordeeld tot betaling van Ä 6.023,27 vanwege de huurachterstand over de periode van 2 februari 2005 tot 18 december 2006, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2006. Verder zijn [gefailleerde], [C] en de curator daarbij hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

4.3 Het hof stelt voorop dat de rechtsstrijd in hoger beroep alleen wordt gevoerd tussen de curator en Den Treek. Het in hoger beroep voorliggende geschil is tot hun rechtsverhouding beperkt, ook voor zover beslissingen aangaande [gefailleerde], [B] en [C] zullen worden gegeven.

4.4 In het incidenteel hoger beroep heeft Den Treek gevorderd te beslissen dat de curator de huur(achterstand) over de periode van 2 februari 2005 tot 2 mei 2007 (datum ontbinding), althans over de periode van 2 februari 2005 tot 22 augustus 2008 (datum ontruiming), zal voldoen. Het hof begrijpt uit de stellingen van Den Treek echter dat zij zich op het standpunt stelt dat [gefailleerde] tot de datum van ontruiming gehouden is de huur(achterstand) aan Den Treek te voldoen en dat de huur(achterstand) tot die datum ook als boedelschuld dient te worden aangemerkt. Het hof gaat er dan ook van uit dat Den Treek niet heeft beoogd haar vorderingen in die zin te wijzigen dat in hoger beroep sprake is van een primaire en een subsidiaire vordering. Uit het verweer van de curator blijkt ook niet dat hij de stellingen van Den Treek in het incidenteel beroep als zodanig heeft begrepen.

4.5 Met het principaal en incidenteel hoger beroep leggen partijen aan het hof voor de door Den Treek tegen de curator gevorderde:
- veroordeling tot betaling van Ä 6.023,27 vanwege de huurachterstand over de periode van 2 februari 2005 tot 18 december 2006, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2006,
- hoofdelijke veroordeling van [C] en de curator tot betaling van Ä 1.746,90 aan huurachterstand over de periode van 18 december 2006 tot en met juni 2007 te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2007,
- hoofdelijke veroordeling van [C] en de curator tot betaling van Ä 545,86 voor (het gedeelte van) iedere maand dat de woning vanaf 1 juli 2007 niet is ontruimd, en
- hoofdelijke veroordeling van [gefailleerde], [C] en de curator tot betaling van de proceskosten.
Bij het bestreden vonnis zijn die vorderingen van Den Treek toegewezen.

4.6 Met grief 1 in principaal hoger beroep richt de curator zich tegen de in het bestreden vonnis opgenomen beslissing dat - zakelijk weergegeven - de huurovereenkomst niet is geŽindigd door de huuropzegging per 1 juni 2005 aan de gefailleerde [gefailleerde] omdat zijn toenmalige echtgenote [B] bij het eindigen van zijn huurderschap van rechtswege huurster werd, met als gevolg dat [gefailleerde] toen medehuurder werd. De curator richt zich met grief 2 in principaal hoger beroep tegen de in dat vonnis vervatte beslissing dat - zakelijk weergegeven - [gefailleerde] bij het nadien eindigen van [B]s huurderschap van rechtswege huurder werd, als gevolg waarvan [C] vanaf 16 december 2006 medehuurster werd. Met grief 3 in principaal hoger beroep richt de curator zich tegen de in het bestreden vonnis opgenomen beslissing dat - zakelijk weergegeven - de onbetaald gebleven huur en gebruiksvergoeding tot de datum van ontruiming boedelschuld zijn. Den Treek formuleert haar grief in het incidenteel hoger beroep tegen de in het bestreden vonnis toegewezen betaling van Ä 6.023,27 wegens de huurschuld over de periode van 2 februari 2005 tot 18 december 2006, maar blijkens de op haar grief gegeven toelichting richt Den Treek zich daarmee tegen het eerder eindigen dan 2 mei 2007 van de huurovereenkomst ten aanzien van de gefailleerde [gefailleerde]. Uit die toelichting blijkt verder dat Den Treek van mening is dat die huurovereenkomst eigenlijk pas op de ontruimingsdatum 22 augustus 2008 is geŽindigd en in ieder geval alle tot dan onbetaald gebleven termijnen een boedelschuld vormen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.7 Vast staat dat Den Treek de huurovereenkomst bij brief van 17 februari 2005 zowel aan de (toenmalige curator van de) gefailleerde [gefailleerde] als aan (zijn toenmalige echtgenote) [B] heeft opgezegd tegen 1 juni 2005. Nu ook Den Treek in hoger beroep van die beide opzeggingen uitgaat, dient tot uitgangspunt dat als gevolg van die opzegging de huurovereenkomst ten aanzien van zowel de gefailleerde [gefailleerde] als [B] met ingang van 1 juni 2005 is geŽindigd. Dit laatste brengt mee dat - anders dan de kantonrechter en Den Treek tot uitgangspunt nemen - [B] met het eindigen van [gefailleerde]s huurderschap per 1 juni 2005 niet van rechtswege van medehuurster tot huurder is geworden. Op grond daarvan zijn het daarop voortbouwende medehuurderschap van [gefailleerde] per 1 juni 2005, het huurderschap van [gefailleerde] per februari 2006 en het medehuurderschap van [C] per 18 december 2006 niet van rechtswege ingetreden.

4.8 Het voorgaande brengt mee dat in ieder geval de door Den Treek van de curator gevorderde huurachterstand over de periode van 2 februari 2005 tot 1 juni 2005 als boedelschuld toewijsbaar is. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Er moet verder van worden uitgegaan dat deze boedelschuld de door de curator (op basis van stellingen van Den Treek) berekende Ä 1.042,88 bedraagt. Voor zover de curator ter betwisting aanvoert dat nog niet vast staat wat de verschuldigde maandhuur was, motiveert en concretiseert hij dat verder niet met onderliggende feiten en omstandigheden, terwijl Den Treek niet uitdrukkelijk en gemotiveerd stelt dat haar boedelvordering in zoverre meer zou bedragen. Ook is geen grief aangevoerd tegen de in rechtsoverweging 3.3 van het bestreden vonnis vervatte beslissing dat de maandhuur de door Den Treek gestelde Ä 545,86 bedraagt en niet de door [gefailleerde] en Ietsvelt gestelde en betaalde Ä 280,40, op welke bedragen die berekening is gebaseerd. Met betrekking tot de door Den Treek van de curator gevorderde bedragen vanaf 1 juni 2005 spitst het debat zich toe op de vraag of na 1 juni 2005 nog sprake is van een boedelschuld.

4.9 Het hof overweegt als volgt. De boedel is voor verbintenissen van de gefailleerde [gefailleerde] die na de faillietverklaring zijn ontstaan in beginsel niet aansprakelijk tenzij de boedel daardoor is gebaat. Die uitzondering is in dit geval niet gesteld of gebleken. Nu de gefailleerde [gefailleerde] huurder was, geldt inzake de huurovereenkomst ingevolge artikel 39 lid 1 Fw dat de huur tussentijds kon worden beŽindigd en dat de huurschuld van de dag der faillietverklaring af boedelschuld is. Nu de huurovereenkomst per 1 juni 2005 is geŽindigd en vanaf 1 juni 2005 geen sprake meer was van verschuldigde huur, is de curator over de periode van 1 juni 2005 tot 22 augustus 2008 geen huur meer verschuldigd die ingevolge artikel 39 lid 1 Fw boedelschuld zou kunnen opleveren. De na het eindigen van de huurovereenkomst op de gefailleerde [gefailleerde] als voormalig huurder rustende ontruimingsverplichting was geen verplichting van de curator, omdat de curator niet buiten de in de wet aangewezen gevallen in de verplichtingen van de gefailleerde [gefailleerde] treedt (HR 9 juni 2006 NJ 2007, 21). Bij gebreke van een wetsbepaling die dat voor de door [gefailleerde] per 1 juni 2005 te betalen gebruiksvergoeding regelt op een vergelijkbare wijze als voor de tot die datum verschuldigde huur, is de na de huurbeŽindiging met ingang van 1 juni 2005 door [gefailleerde] onbetaald gebleven gebruiksvergoeding geen boedelschuld. De op [gefailleerde] rustende verbintenis tot betaling van die vergoeding is pas met ingang van 1 juni 2005 en dus na de faillietverklaring ontstaan, zodat de curator daarvoor niet aansprakelijk kan worden gehouden.

4.10 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de curator niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van 5 september 2007. De in het principaal hoger beroep aangevoerde grieven slagen zodat het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover dat tussen partijen is gewezen. In zoverre zal de curator nog slechts worden veroordeeld tot betaling van Ä 1.042,88 vanwege de huurachterstand over de periode van 2 februari 2005 tot 1 juni 2005. De wettelijke rente daarover is toewijsbaar vanaf 1 december 2006. De in het incidenteel hoger beroep aangevoerde grief faalt en het incidenteel hoger beroep zal worden verworpen. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Den Treek in de proceskosten van beide instanties worden veroordeeld, voor wat betreft het hoger beroep zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep.





5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

verklaart de curator niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort) van 5 september 2007;

vernietigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort) van 11 juni 2008 voor zover dat tussen partijen is gewezen en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de curator tot betaling aan Den Treek van Ä 1.042,88 vanwege de huurachterstand over de periode van 2 februari 2005 tot 1 juni 2005, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2006 tot de dag der algehele betaling;

veroordeelt Den Treek in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator voor wat betreft de eerste aanleg begroot op Ä 900,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en voor wat betreft het principaal hoger beroep begroot op Ä 894,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op Ä 254,00 voor griffierecht en Ä 85,44 voor dagvaardingskosten in hoger beroep;

in het incidenteel hoger beroep:

verwerpt het incidenteel hoger beroep;

veroordeelt Den Treek in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op Ä 447,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

in het principaal en incidenteel hoger beroep:

verklaart dit arrest, voor zover het de betalings- en proceskostenveroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.





Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, M.L. van der Bel en M.G.W.M. Stienissen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2010.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl