Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen da        dereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-
Wet op het notarisambt



Titel IX. Het toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen en de tuchtrechtspraak, alsmede het financiële toezicht

Afdeling 1. Het toezicht en de tuchtrechtspraak

Artikel 93Toezicht door de kamers van toezicht

1.Het toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen, alsmede de tuchtrechtspraak, worden uitgeoefend door de kamers van toezicht. De kamers zijn belast met de uitvoering van de haar in deze wet opgedragen taken, alsmede met de behandeling van klachten welke bij haar over notarissen of kandidaat-notarissen zijn ingediend.

2.In de hoofdplaats van ieder arrondissement is een kamer van toezicht gevestigd, wier rechtsgebied samenvalt met dat van de rechtbank.

3.De aan de werkzaamheden van de kamers verbonden kosten komen ten laste van de staat.



Artikel 94Kamer van toezicht bestaat uit voorzitter en vier leden

1.Elke kamer van toezicht bestaat uit een voorzitter en vier leden. Er zijn ten minste twee plaatsvervangend voorzitters.

2.De president van de rechtbank van het arrondissement waar de kamer van toezicht is gevestigd, is voorzitter van deze kamer. De plaatsvervangende voorzitters worden door de voorzitter aangewezen uit de leden van de rechtbank.

3.Twee leden worden voor de tijd van vier jaren benoemd door Onze Minister, die tevens voor elk hunner een of meer plaatsvervangers aanwijst. Een van die leden wordt benoemd uit de kantonrechters van de rechtbank die is gelegen binnen het rechtsgebied van de desbetreffende kamer van toezicht. Het andere lid is de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Zij zijn bij hun aftreden herbenoembaar. Op eigen verzoek kan hen door Onze Minister tussentijds ontslag worden verleend.

4.De overige twee leden moeten notaris of kandidaat-notaris zijn. Deze leden worden voor de tijd van vier jaren door de ringvergadering in het arrondissement van de desbetreffende kamer van toezicht, op voordracht van het ringbestuur, uit de leden van de ring benoemd. Zij zijn bij hun aftreden eenmaal herbenoembaar. Op eigen verzoek kan hun tussentijds door de ringvergadering ontslag worden verleend. De ringvergadering wijst tevens uit de leden van de ring twee of meer plaatsvervangers aan die beide leden kunnen vervangen. Bij verordening worden regels gesteld omtrent de wijze van benoeming van deze leden en hun plaatsvervangers.

5.De kamer van toezicht heeft een secretaris en zo nodig een plaatsvervangend secretaris. Zij worden door de voorzitter van de kamer aangewezen uit de gerechtssecretarissen van de rechtbank.

6.Tussen de voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van een kamer van toezicht mag niet bestaan de verhouding van echtgenoten, bloed- of aanverwantschap tot de derde graad ingesloten, een maatschap of ander duurzaam samenwerkingsverband tot het uitoefenen van het notarisambt.

7.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de inrichting van de kamers en betreffende de uitoefening van haar werkzaamheden, alsmede de reis- en verblijfkosten van de leden.



Artikel 95Lidmaatschap vervalt van rechtswege

1.Het lidmaatschap van de leden van de kamer van toezicht vervalt van rechtswege indien zij de kwaliteit verliezen waarin zij benoemd zijn, met dien verstande dat ten aanzien van een lid als bedoeld in artikel 94, vierde lid, dit kwaliteitsverlies alleen dan intreedt wanneer hij noch kandidaat-notaris noch notaris is.

2.Het in de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46f, 46g, eerste en tweede lid, 46i met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste lid, aanhef en onder a, en derde lid, 46m, 46o en 46p, eerste tot en met vijfde lid, van de Wet rechtspositie rechtelijke ambtenaren bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van deze leden.



Artikel 96Omvang toezicht

1. Het toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen omvat het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet, van de op grond daarvan uitgevaardigde algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, alsmede van de verordeningen en andere besluiten van de KNB, in het bijzonder die betreffende de goede uitoefening en de eer en het aanzien van het notarisambt. Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

2. De voorzitter van de kamer van toezicht kan in verband met de uitoefening van het in het eerste lid omschreven toezicht een onderzoek gelasten. Hij is daartoe verplicht indien het bestuur van de KNB of het bestuur van het Bureau daarom verzoekt. De voorzitter draagt de uitvoering van het onderzoek op aan een plaatsvervangend voorzitter.

3. De voorzitter of de met het onderzoek belaste plaatsvervangend voorzitter kan te allen tijde een notaris of kandidaat-notaris om inlichtingen vragen, alsmede inzage van stukken verlangen of hem uitnodigen tot het geven van een verklaring van zijn gedrag of handelwijze, indien hij zulks voor de uitoefening van het toezicht dan wel in het belang van een voorgenomen onderzoek wenselijk acht.

4. De voorzitter of de met het onderzoek belaste plaatsvervangend voorzitter kan, indien hij zulks in het belang van het onderzoek wenselijk acht, van de notaris verlangen dat hij inzage geeft van zijn kantoor- en privé-administratie, de daaraan ten grondslag liggende bescheiden, de balansen en de staat van baten en lasten, alsmede van zijn protocol en archief en de overige op deze onderwerpen betrekking hebbende stukken. Hij kan voorts een afschrift daarvan verlangen.

5. De voorzitter of de met het onderzoek belaste plaatsvervangend voorzitter kan, indien hij zulks in het belang van het onderzoek wenselijk acht, het Bureau opdragen een onderzoek in te stellen en hem van zijn bevindingen verslag uit te brengen.

6. Indien de voorzitter op grond van het onderzoek daartoe aanleiding ziet, legt hij de zaak voor aan de kamer van toezicht teneinde haar te behandelen overeenkomstig de volgende bepalingen.

7. Een plaatsvervangend voorzitter die een onderzoek in een zaak heeft uitgevoerd, neemt geen deel aan de behandeling van die zaak door de kamer van toezicht.

8.Artikel 98, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
» Praktijkvoorbeeld rechterlijke uitspraak.



Artikel 97Aanleiding tot tuchtrechtelijke maatregel

De ambtenaren van de rijksbelastingdienst zijn verplicht om van hetgeen hun bij de uitvoering van hun taak betreffende de persoon of de zaken van een notaris of kandidaat-notaris blijkt of meegedeeld wordt, terstond mededeling te doen aan de voorzitter van de kamer van toezicht waaronder de desbetreffende notaris of kandidaat-notaris ressorteert, indien het betreft een handelen of nalaten, dat, gelet op artikel 98, eerste lid, tot een tuchtrechtelijke maatregel aanleiding kan geven.



Artikel 98Onderworpen aan tuchtrechtspraak

1.Notarissen en kandidaat-notarissen zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

2.Deze tuchtrechtspraak wordt in eerste aanleg uitgeoefend door de kamers van toezicht en in hoger beroep door het gerechtshof te Amsterdam. Tegen beslissingen van het gerechtshof is geen hogere voorziening toegelaten.

3.Indien met betrekking tot de leden of plaatsvervangende leden van de kamers van toezicht die notaris of kandidaat-notaris zijn een klacht is ingediend, verzoekt de voorzitter de president van het gerechtshof te Amsterdam een andere kamer van toezicht aan te wijzen teneinde zich met de behandeling daarvan te belasten. De president van het gerechtshof te Amsterdam deelt de beslissing mee aan de aangewezen kamer van toezicht, aan de desbetreffende notaris of kandidaat-notaris, aan de voorzitter van de kamer van toezicht die het verzoek tot aanwijzing heeft gedaan en, indien een klacht is ingediend, aan de klager.

4.Notarissen en kandidaat-notarissen die niet meer als zodanig werkzaam zijn blijven aan de tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig in het eerste lid bedoeld handelen of nalaten gedurende de tijd dat zij als zodanig werkzaam waren.
» Praktijkvoorbeeld rechterlijke uitspraak.



Artikel 99Klachten worden schriftelijk ingediend

1.Klachten tegen notarissen en kandidaat-notarissen worden schriftelijk en met redenen omkleed ingediend bij de kamer van toezicht, waaronder de notaris of kandidaat-notaris ressorteert. Indien de klager daarom verzoekt, is de secretaris van de kamer van toezicht hem behulpzaam bij het op schrift stellen van de klacht.

2.De voorzitter kan na een summier onderzoek, zo nodig na de klager en de betrokken notaris of kandidaat-notaris te hebben gehoord, de klacht terstond bij met redenen omklede beslissing afwijzen indien hij van oordeel is dat deze kennelijk niet ontvankelijk, dan wel kennelijk ongegrond is, of van onvoldoende gewicht.

3.Indien de voorzitter van oordeel is dat een klacht vatbaar is voor minnelijke schikking, roept hij de klager en de betrokken notaris of kandidaat-notaris op teneinde een zodanige schikking te beproeven. Indien een minnelijke schikking mogelijk blijkt, wordt deze op schrift gesteld en door de klager, de notaris of de kandidaat-notaris tegen wie de klacht is ingediend en de voorzitter ondertekend.

4.Hij brengt klachten, die niet in der minne worden opgelost of door hem worden afgewezen, ter kennis van de kamer.

5.Van de beslissing van de voorzitter zendt de secretaris onverwijld een afschrift aan de klager en de betrokken notaris of kandidaat-notaris, in geval van afwijzing van een klacht aan de klager bij aangetekende brief.

6.Tegen de beslissing van de voorzitter tot afwijzing van een klacht, kan de klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk verzet doen bij de kamer van toezicht. Hij dient gemotiveerd aan te geven met welke overwegingen van de voorzitter hij zich niet kan verenigen. Hij kan daarbij vragen over zijn verzet te worden gehoord.

7.Indien overeenkomstig het zesde lid verzet is gedaan tegen de beslissing van de voorzitter, wijst deze een plaatsvervanger aan om hem bij de behandeling van het verzet te vervangen.

8.Ten gevolge van het verzet vervalt de beslissing, tenzij de kamer van toezicht het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart.

9.Is de kamer van toezicht van oordeel dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, dan kan zij zonder nader onderzoek het verzet ongegrond verklaren, echter niet dan na de klager die daarom vroeg in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.

10.De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring van het verzet is met redenen omkleed. Daartegen staat geen rechtsmiddel open. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

11.Is de kamer van oordeel dat het verzet gegrond is, dan wordt de zaak in verdere behandeling genomen.

12.Een klacht kan slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.

13.Intrekken van de klacht, nadat deze is ingekomen, of staking van de werkzaamheden door de persoon over wie geklaagd is, heeft op de verdere behandeling geen invloed, wanneer naar het oordeel van de kamer van toezicht het algemeen belang de voortzetting van de behandeling vordert of wanneer degene over wie geklaagd is, schriftelijk heeft verklaard voortzetting van de behandeling van de klacht te verlangen.
» Praktijkvoorbeeld rechterlijke uitspraak. » Praktijkvoorbeeld rechterlijke uitspraak.



Artikel 100Verschonen en wraken

Zij die deel uitmaken van een kamer van toezicht kunnen zich verschonen en kunnen worden gewraakt, indien te hunnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Titel IV van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
» Praktijkvoorbeeld rechterlijke uitspraak.



Artikel 101Verhoor of behoorlijke oproeping notaris

1.De kamer van toezicht neemt geen beslissing dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de notaris of kandidaat-notaris en van de klager. De oproepingen geschieden bij aangetekende brief ten minste zeven dagen voor het verhoor.

2.De notaris of kandidaat-notaris en de klager zijn bevoegd zich te doen bijstaan door een raadsman. De secretaris van de kamer stelt hen tijdig in de gelegenheid om van de op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen. Zij kunnen afschriften of uittreksels van die stukken vragen tegen vergoeding van de kostende prijs.

3.De kamer van toezicht kan weigeren personen, die geen advocaat zijn, als raadsman toe te laten. In dat geval houdt de kamer de zaak tot een volgende zitting aan.

4.De behandeling door de kamer geschiedt in het openbaar. De kamer kan om gewichtige redenen bevelen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden.
» Praktijkvoorbeeld rechterlijke uitspraak.



Artikel 102Horen van getuigen en deskundigen

1.De kamer van toezicht kan getuigen en deskundigen horen. Zij worden daartoe bij aangetekende brief opgeroepen en zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven.

2.Verschijnt een getuige of deskundige op de oproeping niet, dan doet de officier van justitie op verzoek van de kamer hem dagvaarden. Verschijnt een getuige of deskundige op de dagvaarding niet, dan doet de officier van justitie op verzoek van de kamer hem andermaal dagvaarden desverzocht met bevel tot medebrenging. Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

3.De voorzitter kan een getuige onder ede horen. In dat geval moet hij verklaren dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. De getuige is verplicht op de gestelde vragen te antwoorden. De deskundige is gehouden zijn taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten.

4.Ten aanzien van de getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217 tot en met 219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

5.De getuigen en deskundigen ontvangen op verzoek op vertoon van hun oproeping of dagvaarding schadeloosstelling overeenkomstig het bij en krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde.
» Praktijkvoorbeeld rechterlijke uitspraak.



Artikel 103Opleggen tuchtmaatregelen

1.De kamer van toezicht kan, indien zij oordeelt dat een tegen een notaris gerezen bedenking gegrond is, een van de volgende tuchtmaatregelen opleggen:
a. waarschuwing;
b. berisping;
c. schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van ten hoogste zes maanden;
d. ontzetting uit het ambt.

2.De kamer kan een bedenking ook gegrond verklaren zonder oplegging van een maatregel.

3.Het in de leden 1 en 2 bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de kandidaat-notaris, met dien verstande dat aan hem de tuchtmaatregelen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, kunnen worden opgelegd, alsmede de tuchtmaatregel van ontzegging van de bevoegdheid om waar te nemen voor bepaalde of onbepaalde duur.

4.In geval van waarneming door een kandidaat-notaris is het in de leden 1 tot en met 3 bepaalde van overeenkomstige toepassing op de waarnemer, met dien verstande dat hij tevens als waarnemer in de uitoefening van het ambt kan worden geschorst voor bepaalde duur.

5.De kamer kan bij het opleggen van een waarschuwing of berisping besluiten tot openbaarmaking op door haar te bepalen wijze van de opgelegde maatregel, al dan niet met de gronden waarop hij rust, indien enig door deze bepaling beschermd belang dat vordert. De waarschuwing of berisping wordt door de voorzitter uitgesproken in een vergadering van de kamer, in aanwezigheid van de notaris of kandidaat-notaris, die daarvoor bij aangetekende brief wordt opgeroepen. Daarvan wordt proces-verbaal opgemaakt. De secretaris zendt een afschrift van het proces-verbaal bij aangetekende brief aan de notaris of kandidaat-notaris. Indien deze in de vergadering niet is verschenen, deelt de secretaris de inhoud van de waarschuwing of berisping bij aangetekende brief met bericht van ontvangst aan hem mee.

6.Schorsing in de uitoefening van het ambt brengt mede verlies voor de duur van de schorsing van de betrekkingen, waarbij de hoedanigheid van notaris vereiste is voor de verkiesbaarheid of benoembaarheid. De geschorste notaris mag gedurende zijn schorsing de titel van notaris niet voeren.

7.Een notaris die uit zijn ambt is ontzet kan niet meer tot waarnemer worden benoemd.
» Praktijkvoorbeeld rechterlijke uitspraak.



Artikel 104Beslissingen worden in het openbaar uitgesproken

1.De beslissingen van de kamer van toezicht zijn met redenen omkleed en worden in het openbaar uitgesproken.

2.De secretaris zendt van de beslissingen van de kamer bij aangetekende brief een afschrift:
a. aan de betrokken notaris of kandidaat-notaris;
b. aan het bestuur van de KNB, indien het op grond van artikel 96, tweede lid, tweede volzin, heeft verzocht een onderzoek in te stellen;
c. aan het bestuur van het Bureau, indien het op grond van artikel 96, tweede lid, tweede volzin, heeft verzocht een onderzoek in te stellen;
d. aan de klager, indien werd beslist naar aanleiding van een klacht als bedoeld in artikel 99.

3.Aan de ambtenaar van de rijksbelastingdienst, bedoeld in artikel 97, wordt een afschrift van de beslissing gezonden.



Artikel 105Schorsing en ontzetting

In geval van oplegging van de maatregelen schorsing in de uitoefening van het ambt en ontzetting uit het ambt deelt de kamer van toezicht aan de betrokken notaris bij aangetekende brief, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden, de datum mee waarop de maatregel van kracht wordt.



Artikel 106Klacht van zeer ernstige aard

1.Indien het betreft een klacht tegen een notaris van zeer ernstige aard, dan wel indien er kennelijk gevaar bestaat voor benadeling van derden, en de voorzitter van de kamer van toezicht een ernstig vermoeden heeft ten aanzien van de gegrondheid van de klacht of van de benadeling, kan hij bij wijze van ordemaatregel de onmiddellijke schorsing in de uitoefening van het ambt gelasten of een andere voorlopige voorziening treffen, ten hoogste voor de duur van de behandeling van de klacht. Artikel 27, eerste lid, tweede tot en met vierde volzin, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.Indien de kamer van toezicht uiteindelijk de klacht niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart of een andere maatregel dan schorsing oplegt, vervalt de ordemaatregel van rechtswege. Spreekt de kamer de schorsing uit, dan kan zij bij de bepaling van de termijn rekening houden met de duur van de schorsing bij wege van ordemaatregel.

3.Indien een klacht overeenkomstig het eerste lid aan de voorzitter van de kamer van toezicht ter kennis is gebracht, beslist hij binnen veertien dagen. In overige gevallen beslist hij binnen veertien dagen na verhoor of behoorlijke oproeping van de notaris. De kamer van toezicht kan deze termijn ten hoogste eenmaal verlengen met eenzelfde termijn.

4.Op verzoek van de betrokken notaris kan de voorzitter van de kamer van toezicht te allen tijde de op grond van het eerste lid opgelegde schorsing of voorlopige voorziening opheffen. Hij beslist niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de notaris en de klager.

5.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de kandidaat-notaris, met dien verstande dat de voorzitter van de kamer van toezicht hem bij wijze van ordemaatregel de onmiddellijke ontzegging van de bevoegdheid om waar te nemen kan gelasten alsmede, in geval van waarneming door de kandidaat-notaris, de onmiddellijke schorsing als waarnemer in de uitoefening van het ambt.



Artikel 107Hoger beroep instellen

1.Tegen een beslissing van de kamer van toezicht kan binnen dertig dagen na de dag van verzending van de in artikel 104 bedoelde brief hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Voor wat betreft de mogelijkheid tot het instellen van beroep worden als klager aangemerkt het bestuur van de KNB en het bestuur van het Bureau, indien de zaak door de voorzitter van de kamer van toezicht ter behandeling aan de kamer is voorgelegd na een onderzoek op grond van artikel 96, tweede lid, tweede volzin.

2.Het beroep wordt ingesteld bij verzoekschrift. De griffier van het hof geeft door toezending van een afschrift van het verzoekschrift onverwijld kennis aan de kamer van toezicht die de beslissing heeft genomen en, voor zover het beroep niet door hem is ingesteld, aan de klager en aan de notaris of kandidaat-notaris.

3.Op de behandeling in hoger beroep zijn de artikelen 101 tot en met 104 van overeenkomstige toepassing.

4.Het gerechtshof behandelt de zaak opnieuw in volle omvang.

5.Tenzij het gerechtshof beslist dat er geen aanleiding bestaat tot het opleggen van enige maatregel, legt het zelf een maatregel op die het in het gegeven geval passend oordeelt.

6.De griffier van het gerechtshof brengt de beslissing terstond ter kennis van de kamer van toezicht.
» Praktijkvoorbeeld rechterlijke uitspraak.



Artikel 108Mededeling van beslissing

1.De griffiers der gerechten doen aan de kamers van toezicht in het arrondissement waar elk gerecht gevestigd is mededeling van elke onherroepelijk geworden beslissing waarbij een notaris wegens een misdrijf is veroordeeld.

2.Indien de kamer van toezicht van oordeel is, dat de feiten die tot de beslissing of beslissingen hebben geleid van zodanige aard zijn, dat een ernstige aantasting van de eer en het aanzien van het notarisambt daarvan het gevolg is, kan zij ambtshalve de maatregel van ontzetting uit het ambt opleggen. De artikelen 101, 102, 104 en 107 zijn van overeenkomstige toepassing.



Artikel 109Schorsing opheffen

1.In gevallen waarin een van de in artikel 103, eerste lid, onder c en d, omschreven maatregelen of de maatregel van ontzegging van de bevoegdheid om waar te nemen voor bepaalde of onbepaalde duur, bedoeld in het derde lid, is opgelegd, kan, zo bijzondere omstandigheden zulks wettigen, bij koninklijk besluit worden bepaald dat de schorsing wordt opgeheven, dat de betrokken notaris in zijn ambt wordt hersteld of dat de kandidaat-notaris in de hem ontzegde bevoegdheid wordt hersteld.

2.De voordracht tot een besluit krachtens het eerste lid wordt gedaan door Onze Minister. Alvorens zodanige voordracht wordt gedaan, wint Onze Minister het advies in van de kamer van toezicht of het gerechtshof die de maatregel heeft opgelegd.



Afdeling 2. Het financiële toezicht

Artikel 110Bureau Financieel Toezicht

1. Er is een Bureau Financieel Toezicht, dat gevestigd is te Utrecht. Het Bureau bezit rechtspersoonlijkheid. Het Bureau houdt toezicht op de naleving door de notaris van de artikelen 23, 24 en 25, eerste lid en tweede lid, derde volzin, alsmede de verordeningen, bedoeld in artikel 18, tweede lid, en 24, derde lid, en de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 25, zevende lid. Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan zonodig worden bepaald dat het Bureau daarbij aangegeven andere taken kan verrichten dan die, bedoeld in het eerste lid, indien deze taken verband houden met de in dat lid genoemde taken. Onze Minister is bevoegd tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels ten aanzien van de uitoefening van de taken van het Bureau.

3. Het bestuur van het Bureau is belast met de algemene leiding van het Bureau en met het beheer en de beschikking over zijn vermogen.

4. Het bestuur van het Bureau bestaat uit een voorzitter en vier leden. Het bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan. De voorzitter en de andere leden van het bestuur worden benoemd, geschorst en ontslagen door Onze Minister. De voorzitter en één lid moeten over juridische deskundigheid en ervaring beschikken; de andere leden moeten over financiële deskundigheid en ervaring beschikken. De leden van het bestuur worden benoemd voor een periode van vier jaren en kunnen na aftreden terstond voor eenzelfde termijn eenmaal worden herbenoemd.

5. De leden van het bestuur ontvangen voor hun werkzaamheden een door Onze Minister vast te stellen vergoeding, alsmede een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor de ambtenaren in dienst van het Rijk gelden.

6. De voorzitter vertegenwoordigt het Bureau in en buiten rechte.

7. Het bestuur wordt bijgestaan door een directeur, die belast is met de dagelijkse leiding van het Bureau. De directeur wordt aangesteld, geschorst en ontslagen door het bestuur. Het personeel van het Bureau wordt door het bestuur, op voordracht van de directeur, aangesteld, geschorst en ontslagen.

8. De rechtspositie van het personeel van het Bureau is in overeenstemming met de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld in dienst van het Rijk, met dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken, deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door het bestuur van het Bureau. Bij algemene maatregel van bestuur kan zonodig worden afgeweken van de in de vorige volzin bedoelde regels.

9. Het bestuur stelt een bestuursreglement vast. Dit reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

10. De bestuursleden en het personeel van het Bureau moeten, alvorens zij hun taak aanvangen, voor de rechtbank te Utrecht de navolgende eed afleggen: «Ik zweer getrouwheid aan de Koning en de wet. Ik zweer dat ik mijn taak toegewijd en nauwgezet zal uitvoeren en dat ik, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, geheimhouding zal betrachten ten aanzien van alles waarvan ik uit hoofde van mijn taakvervulling kennis neem». De griffier van de rechtbank geeft ter zitting een proces-verbaal van de eedsaflegging af aan de betrokkene.

11. Indien het Bureau zijn taken, bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het oordeel van Onze Minister ernstig verwaarloost, kan hij zonodig voorzieningen treffen. Onze Minister doet hiervan terstond mededeling aan de Staten-Generaal.



Artikel 111Verstrekken subsidie

1.Onze Minister verstrekt aan het Bureau een subsidie voor de kosten van de exploitatie van het Bureau.

2.In afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is titel 4.2 van die wet van toepassing.

3.De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

4.Onze Minister kan voorschotten op de in het eerste lid bedoelde subsidie verlenen.



Artikel 112Stukken indienen bij Bureau

1.De notaris is verplicht de in artikel 24, vierde lid, bedoelde stukken, vergezeld van een verslag van het onderzoek daarover van een accountant, dat voor wat betreft de jaarrekening van het kantoor ten minste een beoordelingskarakter draagt, aanstonds na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 24, vierde lid, in te dienen bij het Bureau.

2.Het Bureau kan van de notaris verlangen dat hij inzage verschaft van zijn kantoor- en privé-administratie en de daarmee verband houdende bescheiden, de balansen en de staten van baten en lasten alsmede van zijn protocol en zijn archief. Het Bureau kan, behoudens voor wat betreft de minuten en repertoria, verlangen dat de notaris een afschrift van deze stukken verstrekt.

3.Indien het Bureau bij de uitoefening van het toezicht van feiten of omstandigheden blijkt die naar zijn oordeel grond opleveren tot het opleggen van een tuchtmaatregel, brengt het zijn bevindingen, desgeraden in de vorm van een klacht, ter kennis van de voorzitter van de kamer van toezicht.

4.Het Bureau is belast met het doen van elk onderzoek naar de kantoor- en privé-administratie van de notaris waartoe de voorzitter of de met het onderzoek belaste plaatsvervangend voorzitter van een kamer van toezicht overeenkomstig artikel 96, vijfde lid, opdracht geeft.

5.Het Bureau adviseert het bestuur van de KNB over het ontwerp van de verordening, bedoeld in artikel 24, derde lid.

6.Het Bureau verschaft aan de Commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, desverlangd inlichtingen in verband met het onderzoek van het ondernemingsplan.

7.Het Bureau verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

8.Het Bureau stelt jaarlijks voor één juli een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.



Artikel 113Verslag over doeltreffendheid en doelmatigheid

Onze Minister van Justitie zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het functioneren van het Bureau. Het verslag, bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt hierin opgenomen.

-

De wet op het notarisambt is voor het laatst geactualiseerd op: 28 juni 2010.

De status van deze wet is: zeer goed.

Klik hier voor meer informatie.

<     Naar vorige pagina                                                       Naar volgende pagina     >
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl