Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BN5915, Gerechtshof Leeuwarden , 200.029.429

Datum uitspraak: 02-09-2010
Inhoudsindicatie: Syrisch of Nederlands recht van toepassing? Bevoegdheid Nederlandse rechter.





Uitspraak

Beschikking d.d. 2 september 2010
Zaaknummer 200.029.249

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] (SyriŽ),
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. S.S. Ilahi, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geÔntimeerde],
wonende op een geheim adres in het arrondissement Groningen,
geÔntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. Grimm, kantoorhoudende te Groningen.





Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 9 december 2008 heeft de rechtbank Groningen de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft voorts de beslissing met betrekking tot de gezagsvoorziening, de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige [het kind] [het kind] (hierna: [het kind]), geboren op [2004] in de gemeente [gemeente], en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw alsmede de verdeling van de huwelijksgemeenschap aangehouden.





Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 9 maart 2009, heeft de man verzocht de beschikking van 9 december 2008 te vernietigen en opnieuw beslissende primair te bepalen dat de Nederlandse rechter onbevoegd is van het echtscheidingsverzoekschrift van de vrouw kennis te nemen en subsidiair te bepalen dat het Syrische recht op het echtscheidingsverzoekschrift van de vrouw van toepassing is. Voorts heeft de man verzocht opnieuw beslissende te bepalen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt met betrekking tot het gezag over het minderjarige kind van partijen, althans dat zwaarwegende belangen van de minderjarige zich verzetten tegen een gezagsvoorziening in Nederland, althans voor zover die zal inhouden dat het eenhoofdig gezag over de minderjarige aan de vrouw dient te worden opgedragen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 23 december 2009, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht het hoger beroepschrift van de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel als ongegrond of niet voldoende gemotiveerd af te wijzen, dan wel de beschikking van 9 december 2008 eventueel onder aanvulling van gronden te bekrachtigen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 3 juni 2010 is de zaak behandeld. De man en de vrouw zijn niet verschenen. Wel waren hun advocaten aanwezig.





De beoordeling

De vaststaande feiten
1. De man heeft zich op 2 juni 1988 in Nederland gevestigd. Partijen zijn op [huwelijksdag] in Damascus (SyriŽ) met elkaar getrouwd. Na het huwelijksfeest in 2003 is de vrouw met de man in Nederland gaan wonen in Delfzijl. Uit het huwelijk is [het kind] geboren. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over hem.

2. De man en [het kind] bezitten zowel de Nederlandse als de Syrische nationaliteit. De vrouw bezit de Syrische nationaliteit.

3. Op 1 maart 2006 zijn partijen naar SyriŽ gereisd, waarna de man op 18 maart 2006 alleen naar Nederland is teruggereisd. Bij uitspraak van 2 april 2006 heeft de Syrische rechter op verzoek van de man bepaald dat [het kind] SyriŽ niet mag verlaten. Sindsdien verblijft [het kind] bij de ouders van de vrouw in SyriŽ. De vrouw is in mei 2006 zonder [het kind] teruggereisd naar Nederland en verblijft thans nog steeds in Nederland. De man verblijft sinds begin 2007 in SyriŽ.

4. Bij beschikking van 30 mei 2006 is in het kader van de echtscheidingsprocedure [het kind] aan de vrouw toevertrouwd met bevel tot afgifte van de minderjarige.

5. Op 19 oktober 2006 heeft de rechtbank in Damascus de echtscheiding tussen partijen naar Syrisch recht uitgesproken. De uitspraak is op 30 oktober 2006 ingeschreven in het voorvalregister van de regio Al-sjaghoer.

6. De vrouw heeft op 15 juni 2006 bij haar inleidend verzoek de Nederlandse rechter verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, te bepalen dat het gezag over [het kind] alleen aan haar toekomt en bijdragen ten behoeve van partneralimentatie en kinderalimentatie vast te stellen. Bij beschikking van de rechtbank Groningen van 31 oktober 2006 is iedere beslissing aangehouden teneinde door de man nader te worden geÔnformeerd over de inschrijving van het Syrische echtscheidingsvonnis van 19 oktober 2006.

7. Bij besluit van 16 januari 2007 heeft de gemeente Delfzijl geweigerd de Syrische echtscheidingsakte in te schrijven in de GBA wegens strijd met artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA. Bij besluit van 29 juni 2007 heeft de gemeente Delfzijl het bezwaar van de man tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard en op 30 juni 2008 heeft de rechtbank Groningen het beroep van de man tegen het besluit van de gemeente Delfzijl ongegrond verklaard, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2 van de Wet Conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed (hierna: WCE).

8. Bij beschikking van 9 december 2008 heeft de rechtbank zich bevoegd verklaard kennis te nemen van de verzoeken van de vrouw. Voorts heeft de rechtbank het Nederlands recht van toepassing verklaard op de verzoeken van de vrouw. De rechtbank heeft vervolgens besloten zoals hiervoor onder 'Het geding in eerste aanleg' is weergegeven.





De overwegingen

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter kennis te nemen van het echtscheidingsverzoek

9. De man stelt dat, hoewel partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beiden in Nederland stonden ingeschreven, de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt in het echtscheidingsverzoek, aangezien volgens hem niet is uit te sluiten dat de vrouw ook nog ingeschreven stond in het bevolkingsregister in Damascus.

10. Het hof overweegt dat op grond van artikel 4 Rv en artikel 3 van de verordening (EG) met nummer 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en tot intrekking van verordening nummer 1347/2000 (hierna: de Verordening) de gerechten van de lidstaten ter zake de echtscheiding bevoegd zijn, wanneer ten minste een van de in dat artikel genoemde gronden voor bevoegdheid bestaat. Een van die gronden is dat de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat ten tijde van het indienen van het verzoekschrift.

11. De gewone verblijfplaats is de plaats waar de betrokkenen het permanente centrum van hun belangen hebben gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen. Tussen partijen is in discussie of zij op 1 maart 2006 naar SyriŽ zijn gereisd voor een vakantie (zoals de vrouw stelt) of met de bedoeling zich permanent in SyriŽ te vestigen (zoals de man stelt). Het hof is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van partijen ten tijde van het indienen van het verzoekschrift Nederland was, omdat partijen beiden stonden ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie in Nederland, partijen vanaf 2003 in Delfzijl woonden en zij voorafgaand aan hun vertrek naar SyriŽ niet de echtelijke woning in Nederland hebben opgegeven en de inboedel niet hebben verhuisd. Het hof acht de stelling van de man, dat partijen op 1 maart 2006 naar SyriŽ vertrokken om zich daar permanent te vestigen niet aannemelijk, omdat partijen in SyriŽ geen eigen woning hadden gekocht of gehuurd, maar logeerden bij familie. Bovendien zijn beiden na een kort verblijf in SyriŽ teruggekeerd naar Nederland: de man op 18 maart 2006 en de vrouw in mei 2006. De enige reden dat [het kind] niet ook met de vrouw is teruggekeerd in Nederland is dat krachtens een door de man uitgelokte beslissing van de Syrische rechter [het kind] SyriŽ niet mag verlaten zonder toestemming van de man, welke toestemming hij weigert te geven. Dat de vrouw zou staan ingeschreven in het bevolkingsregister in Damascus en dat uit de grote hoeveelheid bagage die zou zijn meegenomen naar SyriŽ zou moeten volgen dat van een vakantie geen sprake was, is door de man niet onderbouwd en bovendien door de vrouw betwist.

12. Het hof is dan ook van oordeel dat vastgesteld moet worden dat partijen ten tijde van het indienen van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, zodat de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van de Verordening rechtsmacht toekomt met betrekking tot het echtscheidingsverzoek.

13. De man stelt voorts dat de rechtbank zich ook op grond van artikel 12 Rv onbevoegd had moeten verklaren. Volgens hem voldoet de uitspraak van

19 oktober 2006, volgend op de in SyriŽ gevoerde echtscheidingsprocedure, aan de vereisten van artikel 2 WCE, dan wel artikel 3 WCE.

14. Het hof volgt de man niet in zijn stelling en overweegt daartoe het volgende. Artikel 12 Rv is uitsluitend van toepassing als een procedure in een andere staat eerder is begonnen dan de procedure in Nederland. Het hof is van oordeel dat door de man onvoldoende is aangetoond dat de procedure in SyriŽ eerder is begonnen dan de procedure in Nederland. De man heeft slechts een verklaring van het Syrische Ministerie van Justitie overgelegd waarin staat dat door hem op
11 april 2006 een echtscheidingsprocedure in SyriŽ is begonnen. Echter, enig stuk waaruit kan worden opgemaakt dat daadwerkelijk een procedure is begonnen, zoals een verzoekschrift of een bewijs waaruit blijkt dat de vrouw op de hoogte is gesteld van de echtscheidingsprocedure, ontbreekt. De stukken die blijk geven van een daadwerkelijk in SyriŽ gevoerde echtscheidingsprocedure dateren van een latere datum dan het in Nederland door de vrouw ingediende echtscheidingsverzoek. Aangezien onvoldoende is aangetoond dat de procedure in SyriŽ is begonnen voordat de vrouw de procedure in Nederland aanhangig heeft gemaakt, leidt artikel 12 Rv niet tot de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter.

15. De man stelt dat de in SyriŽ gevoerde echtscheidingsprocedure, gevolgd door de beslissing van 19 oktober 2006 waarbij het huwelijk is ontbonden, voldoet aan de vereisten van artikel 2 WCE dan wel artikel 3 WCE.

16. Het hof volgt de man niet in zijn stelling en overweegt daartoe het volgende. De bestuursrechter in de rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 30 juni 2008 bepaald dat de uitspraak van de Syrische rechter van 19 oktober 2006, waarbij naar Syrisch recht de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, niet voldoet aan de vereisten van artikel 2 WCE, zodat het beroep tegen de weigering van de gemeente Delfzijl om de Syrische echtscheidingsakte in te schrijven in de GBA ongegrond is verklaard.

17. Vaststaat dat de man geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de hiervoor genoemde uitspraak van 30 juni 2008, zodat die uitspraak onherroepelijk is. Het hof neemt deze uitspraak van de bestuursrechter als uitgangspunt. Dat een van de rechters die in de bestuursrechtelijke procedure heeft beslist reeds eerder tweemaal als rechter in de echtscheidingsprocedure betrokken was geweest en tweemaal het verzoek van de man om wijziging van de voorlopige voorzieningen had afgewezen, zoals de man stelt, leidt naar het oordeel van het hof niet tot een andere conclusie. Indien de man meende dat een van de rechters vooringenomen was, had hij een wrakingsverzoek tegen de betreffende rechter kunnen indienen dan wel hoger beroep kunnen instellen tegen de betreffende uitspraak. De man heeft echter nagelaten dit te doen. Gelet hierop is de wijze van tot stand komen van de uitspraak niet langer relevant.

18. Uit het voorgaande volgt dat de uitspraak van de Syrische rechter van 19 oktober 2006 niet kan worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand in Nederland en derhalve niet voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is. De in SyriŽ uitgesproken echtscheiding kan in Nederland niet worden erkend en de vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding.

19. De man heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat de vrouw in ieder geval stilzwijgend heeft ingestemd met de ontbinding van het huwelijk. Namens de man is ter zitting van het hof gesteld dat de vrouw opnieuw een islamitisch huwelijk is aangegaan, waaruit volgens hem dient te worden afgeleid dat de vrouw met de ontbinding van het huwelijk in SyriŽ kon instemmen. Van de zijde van de vrouw is betwist dat zij opnieuw is gehuwd naar islamitisch recht. Nu de man zijn stelling niet nader heeft onderbouwd, gaat het hof hieraan voorbij.

Het op het echtscheidingsverzoek van toepassing zijnde recht

20. De man stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een gemeenschappelijk nationaal recht en wel het Syrische recht. Naar zijn mening is dit recht dan ook van toepassing op het echtscheidingsverzoek.

21. Het hof is echter met de rechtbank en de vrouw van oordeel dat het Nederlandse recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding. Anders dan de man stelt, is ook naar het oordeel van het hof de band van de man met de Nederlandse nationaliteit het sterkst. Het hof baseert dit oordeel op de in de bestreden beschikking vermelde feiten, die door de man niet zijn weersproken. Het hof voegt daaraan toe dat de man op zijn verzoek is genaturaliseerd tot Nederlander. Uit de naturalisatiewetgeving volgt, dat voor naturalisatie tot Nederlander is vereist dat de verzoeker de sterkste band met de Nederlandse nationaliteit heeft. Aangezien de man de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de man ten tijde van die verkrijging de sterkste band met de Nederlandse nationaliteit had. Het hof is met de vrouw van oordeel dat niet is gebleken dat de man de Nederlandse nationaliteit weer heeft verworpen dan wel dit van plan is dit te doen. Daarnaast is niet gebleken dat de binding met de Nederlandse nationaliteit op andere wijze was verminderd. Daarom moet worden geoordeeld dat de man ten tijde van het indienen van het verzoekschrift van de vrouw nog steeds met de Nederlandse nationaliteit de sterkste band had. Dat de man later naar SyriŽ is verhuisd, maakt dit niet anders.

22. Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat een gemeenschappelijk nationaal recht ontbreekt. Nu partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, is krachtens artikel 1 sub 2 WCE het Nederlandse recht van toepassing.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de gezagsvoorziening

23. De man stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is te oordelen over de verzochte gezagsvoorziening.

24. Volgens artikel 8 van de Verordening is ter zake van een gezagsvoorziening bevoegd het gerecht van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Het hof overweegt dat [het kind] in juni 2006 zijn gewone verblijfplaats in Nederland had en neemt op dit punt de motivering van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne.

25. Het vorengaande moet tot de conclusie leiden dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 van de Verordening rechtsmacht toekomt met betrekking tot de gezagsvoorziening. Eventuele toepassing van artikel 4 lid 3 Rv zou - indien dat aan de orde zou komen - tot hetzelfde resultaat leiden.

Slotsom
26. Gelet op het voorgaande zal worden beslist zoals hieronder aangegeven.





De beslissing

Het gerechtshof:

wijst af de verzoeken in hoger beroep van de man;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.





Aldus gegeven door mrs. Bosch, voorzitter, De Hek en Groot, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2010 in bijzijn van de griffier.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl