Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BM7736, Raad van State , 200906177/1/R1

Datum uitspraak: 16-06-2010
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 25 juni 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Gorinchem bij besluit van 27 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Lingewijk-Noord".





Uitspraak

200906177/1/R1.
Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting De Waterpoort, gevestigd te Gorinchem, en [appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.





1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Gorinchem bij besluit van 27 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Lingewijk-Noord".

Tegen dit besluit hebben de Stichting en [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2009, beroep ingesteld.
De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 september 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting en [appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2010, waar de Stichting en [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de Stichting, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.M. Hemelaar, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door T. Sprong en W.J. den Hartogh, werkzaam bij of voor de gemeente, daar gehoord.





2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.


2.1.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van haar statuten heeft de Stichting ten doel:
a. het verlenen van maatschappelijke ondersteuning, met name voor personen die bijzondere hulp behoeven;
b. het verbeteren van de kwaliteit van de natuur, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de flora en de fauna, de kwaliteit van het milieu waaronder de lucht, de bodem en het water en de gezondheid van mensen en een goede ruimtelijke ordening;
c. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande onder a. en b. genoemd, in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

2.1.2. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

2.1.3. Niet is gebleken dat de Stichting feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, waaruit blijkt dat zij het rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt.

Bij brief van 30 januari 2010 heeft de Stichting desgevraagd verklaard dat de feitelijke werkzaamheden van de Stichting in hoofdzaak bestaan uit het verlenen van bijstand aan hulpbehoevenden door ten behoeve van hen te participeren in juridische procedures en hen te ondersteunen bij de desbetreffende correspondentie en administratie. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 1 oktober 2008, nr. 200801150/1, kan het in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. De voornoemde administratieve ondersteuning kan niet los worden gezien van deze procedures.

Verder is niet gebleken dat de Stichting door het optreden in rechte in dit geval, anders dan voor zover zij optreedt als gemachtigde van [appellant] en anderen, een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand brengt waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijke optreden van een groot aantal individuele personen die door het bestreden besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen.

2.1.4. De conclusie is dat de Stichting geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat zij daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de WRO, geen beroep kan instellen. Het beroep, voor zover ingesteld door de Stichting, is dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Procedurele aspecten

2.3. De door [appellant] en anderen eerst 12 dagen voor de zitting ingediende nadere stukken met betrekking tot de inspraakfase dienen wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het, gelet op de aard en de aanzienlijke omvang van genoemde stukken, voor het college en de raad niet mogelijk was hierop op passende wijze te reageren. Voorts is niet gebleken dat deze stukken niet eerder in de onderhavige procedure naar voren hadden kunnen worden gebracht. [appellant] en anderen hebben geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij deze stukken eerder hadden ingediend.

2.4. [appellant] en anderen betogen dat hun onvoldoende inspraakmogelijkheden zijn geboden en stellen dat de geboden procedure geen daadwerkelijke inspraak behelste. In dit verband voeren zij onder meer aan dat de notulen van een overleg met de zogenoemde Klankbordgroep eerst na een besluit hiertoe van de bezwaarschriftcommissie zijn verschaft.

2.4.1. Met ingang van 1 juli 2005 is artikel 6a van de WRO vervallen. Ingevolge de WRO, zoals deze luidde in de voor deze procedure van belang zijnde periode, vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Nu het bieden van inspraak geen onderdeel uitmaakt van de in de WRO geregelde procedure kan, zo al in de gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet de mogelijkheid of verplichting is opgenomen inspraak te bieden, het al dan niet schenden van deze verplichting geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en de daaruit voortvloeiende besluiten. Dit betoog faalt derhalve.

2.5. [appellant] en anderen voeren voorts als bezwaar van formele aard aan dat in de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan ten onrechte is vermeld dat bij het college van burgemeester en wethouders in plaats van de raad zienswijzen omtrent het ontwerp kenbaar kunnen worden gemaakt.

2.5.1. In strijd met het bepaalde in artikel 23, eerste lid, in samenhang met artikel 27, eerste lid van de WRO is in de kennisgevingen van de terinzagelegging van het ontwerpplan vermeld dat een ieder zijn zienswijze omtrent het ontwerpbestemmingsplan kenbaar kan maken aan het college van burgemeester en wethouders en dat schriftelijke zienswijzen dienen te worden gericht aan dit college. Nu echter in de door het college van burgemeester en wethouders verzonden brief van 25 augustus 2008 is vermeld dat de aan hem gerichte zienswijzen op basis van artikel 2:3 van de Awb zijn doorgestuurd naar de raad, waarmee is voldaan aan de in artikel 2:3, eerste lid, van de Awb opgenomen doorzendverplichting voor bestuursorganen, kunnen door het gebrek in de publicatie geen belangen zijn geschaad. Gelet hierop heeft het college hierin terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

Inhoudelijke aspecten

2.6. Het plan schept een juridisch-planologisch kader voor het noordelijk deel van de Lingewijk en voorziet deels in de herontwikkeling van het woongebied ter plaatse. De overige gronden zijn overeenkomstig de bestaande situatie bestemd.

2.7. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Gemengd (GV)" voor de gronden van het project "Kop van de IJsbaan" aan de Arkelse Onderweg. Zij stellen dat de behoefte aan het beoogde complex niet is aangetoond. Zij stellen voorts dat het complex in stedenbouwkundig opzicht afbreuk zal doen aan het karakter van het gebied en dat het uitzicht vanuit een aantal woningen aan de Arkelse Onderweg daardoor aanzienlijk zal worden beperkt. Verder voeren zij aan dat het complex tot een onaanvaardbare verkeerssituatie zal leiden. Daarnaast stellen zij dat het complex een waardedaling van een aantal woningen aan de Arkelse Onderweg met zich brengt.

2.7.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat in Gorinchem sprake is van een stagnerende doorstroming binnen de huidige woningvoorraad en dat woningbouw noodzakelijk is om deze stagnering te kenteren. Voorts heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat met de in het plan voorziene nieuwbouw een aanzienlijke bijdrage wordt geleverd aan het stedelijke vernieuwingsprogramma. Tegen deze achtergrond heeft het college zich op goede gronden in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat met het complex wordt voorzien in een behoefte binnen de gemeente Gorinchem. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat de realisering van het project "Kop van de IJsbaan" noodzakelijk is voor de financiŽle uitvoerbaarheid van het plan. [appellant] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aan de juistheid van dit standpunt dient te worden getwijfeld. Het betoog faalt derhalve.

2.7.2. Volgens de plantoelichting wil de raad de karakteristieke afwisseling van bebouwde en onbebouwde clusters in de wijk behouden en waar mogelijk versterken. In dit verband beoogt de raad op de locatie "Kop van de IJsbaan" een markant gebouw op te richten dat de overgang markeert van enerzijds het water van de ijsbaan naar de Arkelse Onderweg en anderzijds van de zuidelijke naar de noordelijke woonbuurt. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij het standpunt van de raad dat het complex vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Daarbij is van belang dat voorheen ter plaatse bebouwing aanwezig was in de vorm van twee flatgebouwen van een vergelijkbare omvang, zodat het standpunt van het college en de raad dat de thans voorziene bebouwing geen wezenlijke afbreuk doet aan het karakter van het gebied ten opzichte van het vorige plan kan worden gevolgd. Derhalve faalt ook dit betoog.

2.7.3. Voorts heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, ten opzichte van de situatie waarin twee flatgebouwen van een vergelijkbare omvang op de onderhavige locatie waren gesitueerd, niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van het uitzicht vanuit de woningen aan de Arkelse Onderweg.

2.7.4. Uit de verkeersstudie ten behoeve van het plan van DHV Ruimte en Mobiliteit B.V. van maart 2006 volgt dat een totale verkeerstoename van 600 autoverplaatsingen per dag door de ontwikkeling van Lingewijk-Noord kan worden verwacht. Door het opheffen van twee bedrijfsgebouwen neemt het aandeel vrachtverkeer af tot bijna nihil en neemt het overige verkeer af. De omvang van deze verkeersafname is niet bekend. De extra verkeersproductie van 600 autoverplaatsingen per dag past binnen de capaciteit van een verkeersintensiteit van 4000 ŗ 5000 motorvoertuigen per dag voor een erftoegangsweg, aldus de verkeersstudie. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college, in navolging van de raad, de te verwachten toename van de verkeersintensiteit ten gevolge van de realisering van het plan niet aanvaardbaar heeft kunnen achten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat op basis van onderzoek ten behoeve van het plan kan worden geconcludeerd dat geen onacceptabele verkeerseffecten zijn te verwachten indien verkeersmaatregelen worden genomen. Voorts heeft de raad ter zitting verklaard dat zijn aanvankelijke voornemen om een brede school in het complex te vestigen geen doorgang zal vinden. Mede op basis van door DHV verricht aanvullend onderzoek heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de vestiging van een brede school met het oog op de verkeerssituatie weliswaar mogelijk is, maar dat een andere locatie wenselijker is geacht. Gelet hierop kunnen de voorziene verkeerseffecten in positieve zin worden bijgesteld. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college en de raad zijn uitgegaan van een te lage toename van de verkeersintensiteit op de Arkelse Onderweg. Zij hebben geen objectieve gegevens overgelegd waaruit blijkt dat van onjuiste gegevens is uitgegaan. Dit betoog faalt derhalve.

2.7.5. Voor zover [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat het complex op de locatie "Kop van de IJsbaan" een waardedaling van een aantal woningen aan de Arkelse Onderweg met zich brengt, overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor de verwachting dat, zo al sprake zou zijn van waardedaling, die zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.8. Voorts betogen [appellant] en anderen dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" en de aanduiding "gestapelde woningen" voor gronden langs het Merwedekanaal. Zij betogen dat dit complex eveneens in stedenbouwkundig opzicht afbreuk zal doen aan het karakter van het gebied.

2.8.1. Dienaangaande heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het complex stedenbouwkundig inpasbaar is tussen de reeds bestaande bebouwing en dat voldoende afstand wordt aangehouden tot de nabijgelegen boerderijen. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij het standpunt van de raad dat het complex vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Daarbij is van belang dat voorheen ter plaatse reeds bebouwing aanwezig was in de vorm van een bedrijfshal, zodat met de thans voorziene bebouwing geen wezenlijke afbreuk aan het karakter van het gebied wordt gedaan.

Het betoog faalt.

2.9. Ten slotte betogen [appellant] en anderen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare vermindering van het bestaande groen in het plangebied. Zij stellen in dit verband dat niet kan worden voldaan aan de terzake geldende groennorm van 75 m≤ per woning.

2.9.1. Het college acht het in het plan voorziene groenoppervlak van 60 m≤ per woning voldoende. Hierbij heeft het college betrokken dat het plan voorziet in een aantal groenstroken en groengebieden en dat voorts groen- en recreatievoorzieningen mogelijk zullen worden gemaakt in het uit te werken gebied aan de westzijde van het plangebied, waarbij uitgangspunt is dat het bestaande natuurgebied ter plaatse zoveel mogelijk behouden blijft. Voorts stelt het college dat de groene oevers van het Merwedekanaal deels als groenvoorziening kunnen worden aangemerkt.

2.9.2. Volgens het gemeentebestuur geldt in Gorinchem als leidraad ten aanzien van openbaar groen dat wordt voorzien in een oppervlakte van ongeveer 75 m≤ per woning. Niet in geschil is dat het plan niet aan deze leidraad voldoet. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college niettemin, gelet op de omvang van het plangebied, voldoende groenvoorzieningen aanwezig kunnen achten. Blijkens de plankaart is voorzien in enkele groenstroken en groengebieden. Voorts heeft het college in navolging van de raad bij zijn besluit kunnen betrekken dat de groene oevers van het Merwedekanaal deels als groenvoorziening fungeren. Bij het voorgaande acht de Afdeling van belang dat de voornoemde groenoppervlakte niet bindend is voorgeschreven, maar slechts is bedoeld als streven. Bovendien is in de bestaande situatie reeds in minder groen dan 75 m≤ per woning voorzien. Dit betoogt faalt eveneens.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep, voor zover ingesteld door [appellant] en anderen, is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door stichting Stichting De Waterpoort, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door [appellant] en anderen, ongegrond.





Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Van der Heijden
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

516-646.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl