Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BM7726, Raad van State , 200906349/1/H1

Datum uitspraak: 16-06-2010
Inhoudsindicatie: Bij afzonderlijke besluiten van 4 maart 2008 heeft het college het verzoek van [appellanten] om handhavend optreden tegen de overslag van zand, grind en dergelijke op de loswal van de Vluchthaven in Bruinisse, afgewezen.





Uitspraak

200906349/1/H1.
Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna: [appellanten]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 juli 2009 in
zaak nr. 08/677 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.





1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 4 maart 2008 heeft het college het verzoek van [appellanten] om handhavend optreden tegen de overslag van zand, grind en dergelijke op de loswal van de Vluchthaven in Bruinisse, afgewezen.

Bij afzonderlijke besluiten van 24 juni 2008 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 24 juni 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2010, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J.F. Okma en R.P. Stam, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.





2. Overwegingen

2.1. De Afdeling overweegt ambtshalve het volgende.

Het geschil betreft het gebruik van de loswal aan de Vluchthavenweg te Bruinisse. [appellanten] hebben het college verzocht om handhavend optreden, omdat het gebruik van de loswal voor de overslag van zand en grind naar zij stellen niet is toegestaan en zij daarvan, alsmede door het vervoer van zand en grind, geluids- en stofoverlast ondervinden.

2.1.1. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:1, eerste lid, van die wet, kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 1:3, tweede lid, van de Awb wordt onder beschikking verstaan een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.


2.1.2. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

De afstand van de woning van [appellant A] tot aan de loswal bedraagt hemelsbreed ongeveer 530 meter. De ruimtelijke uitstraling van de loswal is niet zodanig groot dat de belangen van [appellant A] bij een dergelijke afstand rechtstreeks zijn betrokken bij het besluit tot al dan niet handhavend optreden. Het door [appellant A] ter zitting naar voren gebrachte belang dat hij als ondernemer zelf van de losal gebruik wil maken, maar dat dit niet mogelijk is juist doordat aldaar overslag van zand en grind plaatsvindt, kan niet geacht worden rechtstreeks te zijn betrokken bij het besluit tot al dan niet handhavend optreden. [appellant A] is derhalve niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 maart 2006, in zaak nr. 200504481/1) kan zijn verzoek om handhaving dan ook niet worden aangemerkt als een aanvraag en de afwijzing van zijn verzoek niet als een besluit.

Hieruit volgt dat het college het door [appellant A] tegen de aan hem gerichte beslissing van 4 maart 2008 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.2. [appellant B] betoogt dat de rechtbank op onjuiste gronden tot het oordeel is gekomen dat het gebruik van de loswal voor de op- en overslag van zand en grind op grond van het overgangsrecht is toegestaan. Hij wijst daarbij op artikel 21, derde lid, van de planvoorschriften, en stelt dat nu dit gebruik reeds niet was toegestaan onder het bestaande plan, een beroep op het overgangsrecht niet kan slagen. [appellant B] beroept zich hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2007 (zaak nr. 200604216/1) waarbij hij partij was en de betrokken loswal onderwerp van geschil was. In deze uitspraak is overwogen dat de feitelijke overslag van zand en grind valt in milieucategorie 4.

2.2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Bruinisse", zoals gewijzigd bij het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Bruinisse, 1e herziening", rust op de gronden ter plaatse van de loswal de bestemming "Havendoeleinden, laad en loswal (HVl)".

Ingevolge artikel 10A, eerste lid, aanhef en onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Bruinisse, 1e herziening" zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor een laad- en loskade en te gebruiken ten behoeve van bedrijven uit categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Bruinisse", mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.

Ingevolge het derde lid is, voor zover thans van belang, het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan - daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan - en waartegen wordt of alsnog kan worden opgetreden.

2.2.2. Voor de loswal is bij het besluit van het college van 29 september 2000 een bouwvergunning met een ongeclausuleerde vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend. Deze vrijstelling is verleend van het destijds geldende bestemmingsplan "Buitengebied Bruinisse, 1e herziening", omdat de loswal in strijd was met de geldende bestemming "Waterstaatswerken". Daarna is ter plaatse het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Bruinisse" in werking getreden, en op 24 mei 2006 het Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Bruinisse, 1e herziening". Bij de eerdergenoemde uitspraak van 1 augustus 2007 heeft de Afdeling beslist op de tegen het besluit tot goedkeuring van laatstgenoemd plan ingestelde beroepen.

2.2.3. In het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Bruinisse, 1e herziening" is de loswal in de Staat van Bedrijfsactiviteiten ingedeeld in milieucategorie 3.2. Er is daarom geen sprake van gebruik in strijd met het bepaalde in artikel 10A, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften. Dat de overslag van zand en grind volgens de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" zou moeten zijn ingedeeld in een hogere milieucategorie maakt dit niet anders, nu ter zake uitsluitend de regeling geldt zoals de planwetgever die in het bestemmingsplan heeft neergelegd.

2.2.4. Het gebruik van de loswal ten behoeve van de overslag van zand en grind is in overeenstemming met de ter plaatse geldende bestemming. Mogelijke toepassing van de overgangsbepalingen van het bestemmingsplan is dan ook niet aan de orde. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.3. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant B] tegen het aan hem gerichte besluit van 24 juni 2008 alsnog ongegrond verklaren. De Afdeling zal voorts het beroep van [appellant A] tegen het aan hem gerichte besluit van 24 juni 2008 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het bezwaar van [appellant A] tegen het besluit van 4 maart 2008 alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.





3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 juli 2009 in zaak nr. 08/677;

III. verklaart het bij de rechtbank door [appellant B] ingestelde beroep in zaak nr. 08/677 tegen het aan hem gerichte besluit van het college van 24 juni 2008, kenmerk REB/JO/08BZW00091/08uit07444, ongegrond;

IV. verklaart het bij de rechtbank door [appellant A] ingestelde beroep in zaak nr. 08/677 tegen het aan hem gerichte besluit van het college van 24 juni 2008, kenmerk REB/JO/08BZW00091/08uit07443, gegrond;

V. vernietigt het aan [appellant A] gerichte besluit van 24 juni 2008, kenmerk REB/JO/08BZW00091/08uit07443;

VI. verklaart het bezwaar van [appellant A] tegen het aan hem gerichte besluit van 4 maart 2008, kenmerk REB/RvA/07ink07361/07UIT09089, niet-ontvankelijk;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het onder V vernietigde besluit;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland aan [appellant A] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van Ä 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.





Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Lodder
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

17-640.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl