Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-
Algemene wet bestuursrecht
artikel 1:3 - rechtspraak

Datum uitspraak: 11-03-2010
Inhoudsindicatie: Aanleg bouwput door slaan van damwanden over lengtes van 300 meter bij 300 meter tot een diepte van 24 meter. De voorzieningenrechter acht verzoeker belanghebbend bij besluiten die de realisering van de damwanden aangaan, ook al is de afstand van zijn woning tot die damwanden meer dan 500 meter. Weigering van het college om handhavend op te treden kan in bezwaar standhouden. De damwanden betreffen naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen bouwvergunningsplichtig bouwwerk en verder heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij door het intrillen van de damwandplanken schade aan zijn woning of hinder ondervindt.





Uitspraak

LJN:†BM0122,†Rechtbank Dordrecht , AWB 10/291

RECHTBANK DORDRECHT
Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/291

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
gemachtigde: mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Graafstroom, verweerder,
gemachtigde: mr. P.M.D. Weijers, advocaat te Alblasserdam.

Derde partij:
N.V. Nederlandse Gasunie, zetelend te Groningen, hierna: Gasunie,
gemachtigde: mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Amsterdam.





1. Ontstaan en loop van het geding
Bij brief van 4 maart 2010 heeft verzoeker verweerder verzocht per direct een bouwstop op te leggen als bedoeld in artikel 100d van de Woningwet in verband met het zonder bouwvergunning slaan van een zesentwintig meter diepe damwanden voor een bouwput voor de realisering van een gascompressorstation op een bouwlocatie van ongeveer zeventien hectare op ongeveer vierhonderd meter van de woning van verzoeker (hierna: het verzoek om handhaving). Als reden hiervoor heeft verzoeker aangevoerd te vrezen voor schade aan zijn woning als gevolg van die bouwwerkzaamheden.

In reactie op dit verzoek is namens verweerder telefonisch aan verzoeker meegedeeld dat er geen aanleiding bestaat tot handhavend optreden.

Verzoeker heeft in reactie op deze afwijzende mededeling verweerder bij brief van 5 maart 2010 opnieuw verzocht handhavend op te treden tegen het realiseren van de bouwput. Verder heeft verzoeker verweerder verzocht vůůr 8 maart 2010 hierover een besluit te nemen.

Op 9 maart 2010 is namens verweerder telefonisch aan verzoeker meegedeeld dat verweerder in zijn vergadering van die ochtend heeft besloten niet handhavend op te treden en dat deze afwijzing in de week daarop op schrift zal worden gesteld.

Bij brief van 9 maart 2010 heeft verzoeker een bezwaarschrift bij verweerder ingediend tegen de weigering tijdig een besluit te nemen op zijn handhavingsverzoek.

Bij een tweede brief van 9 maart 2010 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.
Het verzoek om voorlopige voorziening is op 10 maart 2010 ter zitting behandeld.
Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van R. Stuij, werkzaam bij de gemeente Graafstroom.
Gasunie is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van [A], [B] en [C].





2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van eenbestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 4:13 van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn (lees: voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift) aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan uitsluitend een belanghebbende bezwaar maken tegen een besluit.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde verstaan onder bouwen, voor zover hier van belang: het geheel of gedeeltelijk oprichten van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 100d van de Woningwet, voor zover hier van belang, kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of IV inhouden dat het bouwen wordt gestaakt.


Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Graafstroom (hierna: de bouwverordening) wordt verstaan onder bouwwerk: elke constructie van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

Ingevolge artikel 4.10, derde lid, van de bouwverordening kunnen burgemeester en wethouders het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt, verbieden.

2.2. Naar de opvatting van verweerder als ter zitting naar voren gebracht is het verzoek om voorlopige voorziening niet ontvankelijk. Weliswaar is in de vergadering van 9 maart 2010 besloten het verzoek om handhaving af te wijzen op basis van een memo met die strekking, maar dit besluit is nog niet bekendgemaakt. Verder is het realiseren van de damwanden volgens verweerder geen bouwvergunningsplichtige activiteit en zo dat wel het geval mocht zijn, is verzoeker geen belanghebbende daarbij in de zin van 1:2, eerste lid, van de Awb, omdat hij woont op een afstand van zeshonderdvijftig meter van de damwand. Er is volgens verweerder niet gebleken van schade of hinder die aanleiding gaf het intrillen te verbieden.

2.3. Bijkens de stukken en het verhandelde ter zitting acht verzoeker zijn verzoek om handhaving ontvankelijk nu dit weliswaar prematuur is ingediend maar het besluit tot afwijzing van dit verzoek wel al was genomen ten tijde van de indiening van dit verzoek. Naar de opvatting van verzoeker is het realiseren van deze damwanden van driehonderd bij driehonderd meter met een diepte van vijfentwintig tot ruim achtentwintig meter een bouwvergunningsplichtige activiteit. Verzoeker acht zich belanghebbende omdat zijn woning zich bevindt op een afstand van, naar hij ter zitting stelde, vijfhonderd meter van dit bouwwerk. Verzoeker betoogt dat verweerder het intrillen van de damwandplanken per direct had moeten stilleggen, omdat de omwonenden, waaronder verzoeker, hinder en aanmerkelijke schade aan hun woningen daarvan ondervinden.

2.4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

2.4.1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het verzoek om voorlopige voorziening ontvankelijk en heeft verzoeker een spoedeisend belang bij zijn verzoek om voorlopige voorziening. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De afstand van verzoekers woning tot de damwanden van vijfhonderd ŗ zeshonderdvijftig meter is in zijn algemeenheid te groot om te kunnen spreken van effect op de directe woon- en leefomgeving van een omwonende, omdat bij een dergelijke afstand die omwonende qua zicht op en uitstraling van de ruimtelijke activiteit niet wordt geraakt op een wijze die verschilt van willekeurige andere bewoners van de betrokken gemeente. De voorzieningenrechter ziet echter in de omstandigheden van dit geval aanleiding daarover anders te oordelen. De aanleg van een bouwput voor de bouw van het gascompressorstation vloeit voort uit een besluit van 16 februari 2009 van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland tot het verlenen van vergunning ingevolge de Grondwaterwet (oud) aan Gasunie voor grondwateronttrekking tijdens de bouwwerkzaamheden. De bouwput is nodig ter voorkoming van schade door verzakking en zetting aan de woningen aan onder meer [adres], waar verzoeker woont. Er is in dat verband een nulmeting verricht bij die woningen.Tevens is ter zitting gebleken dat partijen niet uitsluiten dat, gelet op de bodemgesteldheid en de aard van de woningen aan [adres], de werkzaamheden voor die bouwput schade dan wel hinder veroorzaken in die woningen. De voorzieningenrechter ziet in die omstandigheden aanleiding verzoeker aan te merken als belanghebbende bij een besluit van verweerder dat de realisering van de damwanden betreft.

Verder mocht verzoeker menen dat het besluit tot afwijzing van zijn verzoek om handhaving inmiddels tot stand was gekomen, gelet op de telefonische mededeling van het daartoe strekkende besluit in de vergadering van verweerder van 9 maart 2010l. Gelet daarop is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bezwaarschrift prematuur ingediend als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Daarbij komt dat partijen ter zitting hebben verklaard geen toegevoegde waarde te zien in een nadere behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening nadat verweerder zijn afwijzing voor verzoeker op schrift heeft gesteld. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening aan te merken als samenhangend met verzoekers bezwaar tegen verweerders weigering handhavend op te treden tegen de realisering van de damwanden door Gasunie.

Tevens is sprake van een spoedeisend belang dat een inhoudelijke beoordeling van het geschil rechtvaardigt. Gasunie is de werkzaamheden voor de realisering van de damwanden op 17 februari 2010 begonnen en hoopt deze op 19 maart 2010 af te ronden. In de omstandigheden van het geval doet daaraan niet af dat het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend op 9 maart 2010. Dit is dezelfde datum als de datum van voormelde telefonische mededeling van de afwijzing van het verzoek om handhaving.

2.4.2. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het slaan van de damwanden geen bouwen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet en is het verbod te bouwen zonder bouwvergunning ingevolge artikel 40 van die wet hierop dus niet van toepassing. Daartoe overweegt hij als volgt.

Op de locatie voor het gascompressorstation worden damwanden geslagen door middel van intrilling over lengtes van 300 meter bij 300 meter tot een diepte van ongeveer 24 meter onder NAP. Die damwanden zullen ongeveer zeventig centimeter boven het maaiveld uitsteken. Er wordt op die wijze een bouwput (damwandkuip) geconstrueerd waarbinnen Gasunie de grondwaterstand kan beheersen bij de te verrichten funderingswerkzaamheden en de constructie van de ondergrondse leidingen ten behoeve van het te realiseren gascompressorstation. De damwanden zullen na ongeveer anderhalf jaar worden verwijderd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dient voor de uitleg van het niet nader in de Woningwet gedefinieerde begrip bouwwerk als bedoeld in voormelde begripsomschrijving van bouwen, het spraakgebruik richtinggevend te zijn. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de in de modelbouwverordening 1992 gegeven definitie van dit begrip (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005, LJN: AT5123). De definitie van dit begrip in artikel 1, eerste lid, van de bouwverordening stemt daarmee overeen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bepalen de concrete omstandigheden van het geval of er naar spraakgebruik, in aansluiting op voormelde definitie, sprake is van het oprichten van een bouwwerk. Voor zijn oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is acht de voorzieningenrechter bepalend het ontbreken van enige relevante ruimtelijke uitstraling van de damwanden in samenhang met de tijdelijke aanwezigheid ervan en het karakter van hulpmiddel ten behoeve van de bouw van het gascompressorstation. In het licht van voormelde uitspraak en de uitspraken van de Afdeling van 30 maart 2005 (LJN BI6877) en 24 februari 2010 (LJN BL5391) is immers mede van belang of een constructie ter plaatse een zelfstandige functie gaat vervullen, al dan niet tijdelijk. Dat is niet het geval als er sprake is van een constructie die uitsluitend dient als hulpmiddel bij het realiseren van het beoogd op te richten bouwwerk, zoals bijvoorbeeld een steiger. De voorzieningenrechter ziet met de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2002 (LJN AE7218) waarop verzoeker wijst, dit oordeel niet weersproken. De damwand die in deze uitspraak aan de orde was, werd, zo begrijpt de voorzieningenrechter de casus, tijdelijk opgericht teneinde daartegen een kennelijk eveneens als tijdelijk beoogd dijklichaam aan te brengen waarop het spoor tijdelijk werd verbreed. De damwand in die casus had dus ruimtelijke uitstraling en vervulde bovendien dus niet, zoals in het hier aan de orde zijnde geval, een onzelfstandige functie in relatie tot de eigenlijke bouwwerkzaamheden.

2.4.3. Voorts treft geen doel verzoekers betoog dat hij door het intrillen van de damwandplanken schade aan zijn woning heeft ondervonden dan wel zal ondervinden. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden aan zijn woning. Het kennelijke betoog van verzoeker dat zijn vrees schade aan zijn woning te lijden gegrond is omdat bij andere woningen aan [adres] scheurvorming is geconstateerd die zou zijn veroorzaakt door de trillingen, heeft verzoeker evenmin aannemelijk gemaakt. In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat de conditie van verzoekers woning en van de andere woningen in de omgeving vůůr aanvang van het slaan van de damwanden, de zogenaamde nulsituatie, door een expertisebureau is vastgelegd in rapportages. Verzoeker heeft weliswaar ter zitting gesteld dat een door hem ingeschakeld expertisebureau schade aan zijn woning heeft geconstateerd ten opzichte van die nulsituatie, maar heeft daarvan geen rapport overgelegd. Evenmin is een dergelijk rapport overgelegd over de conditie van andere woningen in de omgeving. Ook heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zodanige trillingshinder als gevolg van het intrillen van de damwanden, dat zijn verzoek voorlopige voorziening om die reden voor toewijzing in aanmerking komt. Het aanbieden van bewijs van die hinder door verklaringen van enkele omwonenden ter zitting is daarvoor onvoldoende. Verder heeft verweerder blijkens zijn rapportage van 8 maart 2010 de situatie opgenomen en daarin vooralsnog geen aanleiding gezien het intrillen van de damwanden stop te zetten.

2.4.4. Gelet op het voorgaande zal naar het oordeel van de voorzieningenrechter de afwijzing door verweerder van verzoekers handhavingsverzoek in bezwaar stand kunnen houden. Het verzoek om voorlopige voorziening moet daarom worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





3. Beslissing
De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:
-††wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.





Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl