Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-
Algemene wet bestuursrecht
artikel 3:15

Datum uitspraak: 14-04-2010
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 15 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen hogere waarden als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Houtweg te Emmen vastgesteld. Dit besluit is op 21 juli 2009 ter inzage gelegd.





Uitspraak

Datum uitspraak: 14 april 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen,
verweerder.





1. Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen hogere waarden als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Houtweg te Emmen vastgesteld. Dit besluit is op 21 juli 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2009, beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn bij brief van 30 september 2009 aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2010, waar het college, vertegenwoordigd door T.G.M. Koopman en Z. Lackovic, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.





2. Overwegingen
2.1. Bij het bestreden besluit zijn hogere waarden van 49 en 50 dB vastgesteld voor 14 in het kader van de herontwikkeling van winkelcentrum Emmerhout te Emmen te bouwen woningen.

2.2. Het college betoogt dat het beroep op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de door [appellant] aangevoerde beroepsgronden van een andere aard zijn dan wat hij in zijn zienswijze over het ontwerp van het besluit naar voren heeft gebracht.

2.2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Dit artikel moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2003/2004, 29421, nr. 3, p. 7 en Kamerstukken II, 2004/2005, 29421, nr. 11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten over dat onderdeel geen zienswijze naar voren te hebben gebracht.


2.2.2. Het bestreden besluit houdt een beslissing in krachtens artikel 110a van de Wet geluidhinder over het vaststellen van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Houtweg. Mede onder verwijzing naar de uitspraak van 24 februari 2010 in zaak nr. 200900403/1 (www.raadvanstate.nl) overweegt de Afdeling dat deze beslissing, voor zover het gaat om toepassing van artikel 6:13 van de Awb, geen afzonderlijke besluitonderdelen bevat. [appellant] heeft met betrekking tot deze beslissing een zienswijze ingediend. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het beroep op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren. Artikel 6:13 staat er, anders dan het college veronderstelt, niet aan in de weg dat [appellant] in beroep nieuwe gronden aanvoert, die hij in zijn zienswijze nog niet naar voren had gebracht.

2.3. [appellant] voert aan dat het bestreden besluit een motivering ontbeert waarom het noodzakelijk is hogere waarden vast te stellen. Volgens hem heeft het college onvoldoende onderbouwd waarom wordt afgezien van het treffen van geluidreducerende maatregelen zoals toepassing van een stiller type wegdek, het terugbrengen van de maximumsnelheid, het reduceren van de verkeersintensiteit of het aanbrengen van geluidafschermende voorzieningen.

2.3.1. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder is, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB en voor woningen in stedelijk gebied 58 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 83, tweede lid, kan bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot in stedelijk gebied nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd, voor de aanwezige of te verwachten geluidbelasting vanwege een aanwezige weg een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 63 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 110a, eerste lid, is het college binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Ingevolge artikel 110a, vijfde lid, voor zover hier van belang, vindt het eerste lid slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg van de gevel van de betrokken woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiŽle aard.

2.3.2. Het college stelt zich op het standpunt dat toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de Houtweg van de gevel van de nieuw te bouwen woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiŽle aard.

Toepassing van een stiller type wegdek stuit volgens het college op overwegende bezwaren van financiŽle aard. Volgens het college zou, om de geluidbelasting tot beneden de in artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder gestelde voorkeursgrenswaarde van 48 dB te brengen, over een afstand van minimaal 200 meter per wegvak geluidreducerend asfalt aangebracht moeten worden, wat ongeveer Ä 123.000 zou kosten. [appellant] heeft geen concrete argumenten aangevoerd op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van dit bedrag. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat toepassing van een stiller type wegdek gezien deze kosten en de geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde bij de 14 woningen op overwegende bezwaren van financiŽle aard stuit.

Met betrekking tot terugbrengen van de maximumsnelheid stelt het college zich op het standpunt dat voor een deel van de Houtweg reeds een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur zal gaan gelden en dat een verdere beperking van de snelheid op de Houtweg gezien de gewenste doorstroming van het verkeer richting het centrum niet wenselijk is. Ook reduceren van de verkeersintensiteit op de Houtweg stuit volgens het college vanwege de gewenste bereikbaarheid op overwegende bezwaren van verkeers- en vervoerskundige aard. In hetgeen [appellant] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Aanbrengen van geluidafschermende voorzieningen stuit volgens het college op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. De geluidschermen zouden in verband met de hoogte van de betrokken gebouwen zo hoog moeten zijn, dat zij in een binnenstedelijk gebied niet stedenbouwkundig inpasbaar zijn, aldus het college. Hetgeen [appellant] aanvoert, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt. De enkele, niet nader onderbouwde stelling van [appellant] dat er diverse ontwerpen denkbaar zijn waarbij de schermen wel stedenbouwkundig inpasbaar zijn, is daarvoor onvoldoende. Het college stelt verder dat het aanbrengen van geluidafschermende voorzieningen onvoldoende doeltreffend is, omdat het effect daarvan voor een belangrijk deel teniet wordt gedaan doordat schermen ter voorkoming van weg- en perceelafsluitingen onderbroken zouden moeten worden. Hetgeen [appellant] aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.3.3. Gelet op het voorgaande, bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de Houtweg van de gevel van de betrokken nieuw te bouwen woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiŽle aard.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.





Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Grinsven
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl
script type="text/javascript"> var gaJsHost = (("https:" == document.location.protocol) ? "https://ssl." : "http://www."); document.write(unescape("%3Cscript src='" + gaJsHost + "google-analytics.com/ga.js' type='text/javascript'%3E%3C/script%3E"));