Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-
Algemene wet bestuursrecht
artikel 4:6

Datum uitspraak: 17-03-2010
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal een aanvraag van [appellant] voor een uitwegvergunning ten behoeve van het perceel [locatie] te Roosendaal afgewezen.





Uitspraak

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Roosendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juni 2009 in zaak nr. 08/1228 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.





1. Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal een aanvraag van [appellant] voor een uitwegvergunning ten behoeve van het perceel [locatie] te Roosendaal afgewezen.

Bij besluit van 19 maart 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2009, verzonden op 12 juli 2009, heeft de rechtbank Breda het door [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, het tegen het besluit van 19 maart 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Vermeirssen, advocaat te Goes, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.L.G. Arnold, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.





2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.


Ingevolge artikel 2.1.5.3, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Roosendaal (hierna: de Apv), zoals dat luidde ten tijde van belang, is het verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van:
a. de bruikbaarheid van de weg;
b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d. de bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente.

2.2. Vast staat dat eerdere aanvragen van [appellant] om een uitwegvergunning zijn afgewezen. Het college heeft in het besluit van 7 maart 2007 de aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afgewezen, omdat [appellant] daaraan geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. In bezwaar is dat besluit gehandhaafd.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat er een nieuw feit dan wel veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, omdat bij eerdere besluiten met betrekking tot door [appellant] aangevraagde uitwegvergunningen de in het bestemmingsplan opgenomen bestemming van het perceel waarvoor een uitwegvergunning is aangevraagd een rol heeft gespeeld en die bestemming nadien is gewijzigd. Hieruit volgt dat het college de aanvraag niet op vereenvoudigde wijze kon afwijzen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat het college in dat besluit en ter zitting heeft vermeld dat de aanvraag bij inhoudelijke beoordeling afgewezen zou worden in het belang van de groenvoorzieningen van de gemeente. Het college heeft in dat verband verwezen naar een advies van een groendeskundige, waartegen [appellant] geen deskundigenrapport heeft ingebracht. De rechtbank zag daarom geen aanleiding om aan het advies te twijfelen.

2.4. Het hoger beroep is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

2.5. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.6. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vˇˇr dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vˇˇr het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.7. De strijd met de in het bestemmingsplan opgenomen bestemming van het perceel waarvoor een uitwegvergunning is aangevraagd, vormde geen dragende grond van de eerdere besluiten tot afwijzing van een aanvraag om een uitwegvergunning, maar slechts een bijkomend argument. Bovendien is die bestemming, gelet op het limitatieve karakter van artikel 2.1.5.3, derde lid, van de Apv, geen weigeringsgrond bij de beoordeling van een aanvraag om een uitwegvergunning. De wijziging van de in het bestemmingsplan opgenomen bestemming vormde dan ook geen relevant nieuw feit of relevante veranderde omstandigheid, noch een relevante wijziging van het recht.

In de eerdere afwijzende besluiten vormde de bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente de dragende grond voor afwijzing van de aanvraag. De beoogde uitweg zou namelijk een strook structureel groen doorsnijden. De stelling van [appellant] dat de kwaliteit van de betreffende groenstrook is verslechterd na de eerdere besluiten, doet er niet aan af dat de aanvraag wederom betrekking heeft op het doorsnijden van diezelfde strook structureel groen.

Gelet op het voorgaande zijn er, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 19 maart 2008 gegrond is verklaard, dit besluit is vernietigd en is bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling dat, nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet, er geen plaats was voor rechterlijke toetsing van het besluit van 19 maart 2008. Gelet daarop zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 maart 2008 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.10. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.





3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juni 2009 in zaak nr. 08/1228, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 19 maart 2008 gegrond is verklaard, dit besluit is vernietigd en is bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;
IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van Ç 223,00 (zegge: tweehonderddrieŰntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.





Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Graat voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl