Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BM5575,Voorzitter Raad van State , 201003332/1/M1

Datum uitspraak: 17-05-2010
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het college ten aanzien van het verzoek van [partij] besloten het zonder vergunning krachtens de Wet milieubeheer in werking zijn van haar inrichting voor het breken van puin op het perceel [locatie] te [plaats] te gedogen.





Uitspraak

201003332/1/M1
Datum uitspraak: 17 mei 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],
verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.





1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het college ten aanzien van het verzoek van [partij] besloten het zonder vergunning krachtens de Wet milieubeheer in werking zijn van haar inrichting voor het breken van puin op het perceel [locatie] te [plaats] te gedogen.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2010, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[partij] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 mei 2010, waar [verzoekers], waarvan [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. P. de Vries, en het college, vertegenwoordigd door mr. U.A.E. Arnhold en J.J. van den Berg-Kouffeld, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. I.C.G. Klein-Hendriks, advocaat te Dordrecht, en [belanghebbende], als belanghebbende gehoord.





2. Overwegingen

2.1. Het college en [partij] betogen dat het verzoek, dat door adviesbureau Sight/LBP namens [verzoekers] is ingediend, afgewezen dient te worden omdat uit de bij het verzoekschrift gevoegde machtigingen niet blijkt wat het adres is van de vertegenwoordigde personen en derhalve niet kan worden bepaald of zij belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit.

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is.

2.1.2. Weliswaar ontbreken adresgegevens in de bij het verzoekschrift gevoegde machtigingen maar adviesbureau Sight/LBP heeft dit verzuim, na hiertoe in de gelegenheid te zijn gesteld, hersteld door een adressenlijst van de door hem vertegenwoordigde personen te overleggen. Uit de adressenlijst volgt dat de bewoners van de percelen [locaties] op een zodanig grote afstand van de inrichting wonen dat, de aard en omvang van de inrichting in aanmerking genomen, het op voorhand niet aannemelijk is dat zij ter plaatse van hun woningen milieugevolgen van de inrichting kunnen ondervinden en zij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. Er bestaat in zoverre geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. De overige door adviesbureau Sight/LBP vertegenwoordigde personen wonen binnen een afstand van enkele honderden meter van de inrichting. De voorzitter gaat er op voorhand vanuit dat deze personen milieugevolgen van de inrichting kunnen ondervinden, zodat zij een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang hebben. Gezien het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding om, voor wat hen betreft, het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [verzoekers] betogen dat zij onaanvaardbare geluidhinder ondervinden vanwege de puinbreekactiviteiten binnen de inrichting van [partij]. Volgens hen zijn de gedoogvoorwaarden ontoereikend om met name geluidsoverlast te voorkomen.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat concreet uitzicht op legalisatie bestaat nu op 3 september 2009 een aanvraag om een milieuvergunning bij het college is ingekomen en op 18 februari 2010 een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd dat strekt tot verlening van de gevraagde vergunning. De voorschriften van het ontwerpbesluit, die als voorwaarden aan het gedoogbesluit zijn verbonden, zijn toereikend om de nadelige gevolgen die de puinbreekactiviteiten voor het milieu kunnen veroorzaken te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken, aldus het college.

2.3.2. Het gedoogbesluit heeft na inwerkingtreding een geldigheidsduur van zes maanden. De aan het ontwerpbesluit verbonden voorschriften zijn als voorwaarden aan het gedoogbesluit verbonden.

In voorschrift 10.1.2 van de ontwerpvergunning is bepaald dat maximaal 4 maal per kalenderjaar over een periode van maximaal 3 aaneengesloten werkdagen (maandag tot en met vrijdag), gedurende de dagperiode (07.00 uur tot en met 19.00 uur), puin gebroken mag worden binnen de inrichting.

2.3.3. De voorzitter overweegt dat uit het gedoogbesluit noch het gedoogverzoek kan worden afgeleid hoe vaak de puinbreekactiviteiten mogen worden uitgevoerd gedurende de gedoogperiode. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat ter zitting is gebleken dat reeds een hoeveelheid puin is gebroken, is onduidelijk hoe vaak [partij] gedurende de resterende gedoogperiode gebruik kan maken van de door het voorschrift 10.1.2 geboden mogelijkheid om puin te breken.

[verzoekers] zienswijzen hebben zienswijzen naar voren gebracht over het ontwerpbesluit dat strekt tot verlening van een milieuvergunning voor de puinbreekactiviteiten waarop het college nog niet heeft beslist. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de voorzitter het op voorhand niet onaannemelijk dat de naar voren gebrachte zienswijzen zullen leiden tot de conclusie dat vergunningvoorschriften, die als voorwaarden aan het gedoogbesluit zijn verbonden, niet toereikend zijn om gedurende de resterende gedoogperiode onaanvaardbare hinder vanwege de puinbreekactiviteiten te voorkomen.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter, na afweging van de betrokken belangen, reden de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.





3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 18 maart 2010, kenmerk 2010INT258245, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van Ä 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van Ä 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.





Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Melse
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2010

542.

-
-
WWW.UWWET.nl
2010. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl