Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BN0428, Raad van State , 201005169/1/H1 en 201005169/2/H1

Datum uitspraak: 30-06-2010
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 30 november 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel [locatie] te [plaats] binnen zes maanden na de verzenddatum van het besluit te staken en gestaakt te houden.





Uitspraak

201005169/1/H1 en 201005169/2/H1.
Datum uitspraak: 30 juni 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2010 in zaak nrs. 10/974 en 10/1246 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne.





1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel [locatie] te [plaats] binnen zes maanden na de verzenddatum van het besluit te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2010, verzonden op 19 mei 2010, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2010, hoger beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 juni 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Berkel, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.M. van Klaveren-van Houwen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.





2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) komen voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking een wijziging van het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning, mits:
1e. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;
2e. de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden, en
3e. de aanvrager vr, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.

Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Westvoorne" rust op het perceel de bestemming "Verblijfsrecreatie (-Rv(r))".

Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder 2, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de op de kaart als zodanig aangegeven gronden bestemd voor recreatief verblijf van personen - die elders hun hoofdverblijf hebben - in recreatiewoningen, met de daarbij behorende voorzieningen.

Ingevolge het derde lid, onder 2, voor zover thans van belang, is het verboden recreatiewoningen te gebruiken voor permanente bewoning.

2.3. De permanente bewoning van de recreatiewoning is in strijd met artikel 18, derde lid, onder 2, van de planvoorschriften, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de recreatiewoning op 31 oktober 2003 permanent bewoonde en derhalve niet in aanmerking komt voor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, gelezen in verbinding met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Bro. Volgens [appellant] blijkt uit de door hem overgelegde stukken, waaronder verklaringen van omwonenden, dat hij sinds 2002 permanent in de recreatiewoning woont.

2.4.1. Bij aan het college verzonden brief van 20 februari 2005 heeft [appellant] verklaard dat hij de recreatiewoning recreatief gebruikt. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat in beginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van die schriftelijke verklaring. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat, gelet op die verklaring, aan de bewijslast die op [appellant] rust zware eisen moeten worden gesteld.

2.4.2. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn betoog een aantal verklaringen van omwonenden overgelegd. Daargelaten of die verklaringen afkomstig zijn uit objectieve bron, betreft het hier min of meer woordelijk gelijkluidende verklaringen, waaruit niet of nauwelijks blijkt op grond waarvan de betrokken omwonenden persoonlijk wetenschap hebben over het aanvangsmoment van de permanente bewoning en de duur daarvan. Reeds hierom komt aan die verklaringen niet de betekenis toe die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien. Aan de verklaring van de zoon van [appellant] komt die betekenis evenmin toe, nu deze niet afkomstig is uit objectieve bron.

Voor zover al uit de overige door [appellant] overgelegde stukken, zoals een overzicht van betalingen, volgens hem voor het gebruik van gas, water en licht, kan worden afgeleid dat de recreatiewoning reeds enkele jaren in gebruik is, bieden deze onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [appellant], zoals hij thans stelt, vanaf 2002 permanent in de recreatiewoning woont. Gelet hierop, en gezien hetgeen hiervoor onder 2.4.1 is overwogen, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de permanente bewoning vr 31 oktober 2003 is aangevangen en sindsdien onafgebroken plaatsvindt. Daarbij neemt de voorzitter ook nog in aanmerking dat op hetzelfde perceel de bedrijfswoning van de zoon van [appellant] is gelegen en [appellant] op 4 mei 2005 tijdens een controlebezoek van ambtenaren van de gemeente heeft verklaard dat hij in die woning woont. Reeds hierom komt hij niet in aanmerking voor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, gelezen in verbinding met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Bro, zodat de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat en het college derhalve handhavend mocht optreden.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.





Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Roessel
ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010

457.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl