Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BM8826, Raad van State , 200909504/1/H3

Datum uitspraak: 23-06-2010
Inhoudsindicatie: Bij ongedateerd besluit, verzonden op 6 november 2007, heeft het dagelijks bestuur [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven het object "MS-Singel" te verwijderen en daarna verwijderd te houden uit het openbaar water van het beheersgebied van het dagelijks bestuur.





Uitspraak

200909504/1/H3.
Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2009 in zaak nr. 08/2429 in het geding tussen:

[appellante]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum.





1. Procesverloop

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 6 november 2007, heeft het dagelijks bestuur [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven het object "MS-Singel" te verwijderen en daarna verwijderd te houden uit het openbaar water van het beheersgebied van het dagelijks bestuur.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 5 juni 2008, heeft het dagelijks bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de in het op 6 november 2007 verzonden besluit opgenomen last gewijzigd.

Bij uitspraak van 30 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het op 5 juni 2008 verzonden besluit vernietigd voor zover het bezwaar ongegrond is verklaard en het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase is afgewezen, het door [appellante] tegen het op 6 november 2007 verzonden besluit gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het verzoek om vergoeding van de kosten die zij voor de behandeling van het bezwaarschrift redelijkerwijs heeft moeten maken toegewezen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 december 2009.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. NicolaÔ, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A. Weijenberg, werkzaam bij het stadsdeel Centrum, zijn verschenen.





2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden belanghebbenden, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet, zoals dit luidde ten tijde van belang, is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 2.2.1 van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: de Vhb) wordt in hoofdstuk 2 en de daarop rustende bepalingen verstaan onder:
[Ö]
d. pleziervaartuig: een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie;
e. object: een voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd en dat niet behoort tot enige andere in dit hoofdstuk genoemde categorie;
[Ö].
Ingevolge artikel 2.5.2, eerste lid, is het verboden met een object ligplaats in te nemen of een object in, op of boven het water te plaatsen.

Ingevolge het tweede lid kan het college van burgemeester en wethouders van het eerste lid ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van die objecten zijn verleend.

Ingevolge het derde lid kan het college van burgemeester en wethouders categorieŽn objecten aanwijzen waarop het verbod in het eerste lid niet van toepassing is.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen zijn de hiermee samenhangende bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders overgedragen aan de dagelijks besturen van de stadsdelen.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft in de op 6 november 2007 en 5 juni 2008 verzonden besluiten het standpunt ingenomen dat het vaartuig "MS-Singel" in strijd met artikel 2.5.2, eerste lid, van de Vhb zonder ontheffing ligt afgemeerd ter hoogte van Singel 309 te Amsterdam.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een rapport van 8 april 2008 van de Dienst Binnenwaterbeheer geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid is in de zin van artikel 7:9 van de Awb.

2.3.1. [appellante] stelt terecht dat het rapport is opgesteld op verzoek van de bezwaarschriftencommissie en dat het aan het besluit op bezwaar ten grondslag is gelegd. Het rapport vormt echter slechts de schriftelijke weergave van hetgeen tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure namens het stadsdeel naar voren is gebracht. Daar heeft [appellante] destijds op kunnen reageren. Verder bouwt het rapport voort op een eerder door de Dienst Binnenwaterbeheer opgesteld rapport en sluit het aan bij eerder door die Dienst gemaakte foto's, welke stukken alle bij [appellante] bekend waren. Gelet hierop heeft de rechtbank het rapport van 8 april 2008 terecht niet aangemerkt als een na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feit dat voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kan zijn. Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur het vaartuig terecht heeft aangemerkt als object in de zin van artikel 2.2.1, aanhef en onder e, van de Vhb.

2.4.1. Volgens een rapport en een daarbij behorende foto van 20 juni 2007 van twee medewerkers van de Dienst Binnenwaterbeheer lag het vaartuig afgemeerd ter hoogte van Singel 309, lag er langszij een passagiersvaartuig afgemeerd en bevonden zich enkele goederen op het vaartuig. Volgens een rapport van 8 april 2008 van de Dienst Binnenwaterbeheer wordt het vaartuig na de verkoop aan [appellante] opnieuw als afmeervoorziening gebruikt, aangezien er altijd een vaartuig van de Rederij der Nederlanden naast ligt. Volgens dat rapport zien de inspecteurs vaarwegen dit, doordat zij er dagelijks langs varen of fietsen. Verder is op twee foto's van 20 februari 2008 onderscheidenlijk 11 maart 2008 te zien dat een ander passagiersvaartuig langszij het vaartuig ligt afgemeerd. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het vaartuig hoofdzakelijk een vaste ligplaats heeft ingenomen en dat het daarbij voornamelijk is gebruikt als afmeervoorziening voor genoemde rederij. Dat [appellante] zou moeten dulden dat een vaartuig langszij wordt afgemeerd, doet niet af aan de bevindingen van de Dienst Binnenwaterbeheer. [appellante] betoogt tevergeefs dat de genoemde rapporten slechts momentopnames zijn, nu in het rapport van 8 april 2008 constateringen, die gedurende enkele maanden zijn gedaan, zijn samengevat en de genoemde foto's met die constateringen overeenkomen. Met de stelling dat zij enkele malen recreatieve tochten heeft gemaakt met het vaartuig, heeft [appellante] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het vaartuig hoofdzakelijk werd gebruikt voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie. Gelet op het voorgaande is het vaartuig geen pleziervaartuig als bedoeld in artikel 2.2.1, aanhef en onder d, van de Vhb. Nu onweersproken is dat het vaartuig geen woonboot, bedrijfsvaartuig of passagiersvaartuig in de zin van artikel 2.2.1 van de Vhb is, heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat het dagelijks bestuur het vaartuig terecht heeft aangemerkt als object in de zin van artikel 2.2.1, aanhef en onder e, van de Vhb. Het betoog faalt.

2.5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de aan haar opgelegde last het dagelijks bestuur ten onrechte ook het recht geeft om tegen een niet verboden situatie op te treden. Zij voert aan dat de last inhoudt dat met het vaartuig nimmer ligplaats mag worden ingenomen in het beheersgebied van het dagelijks bestuur, ook niet indien het vaartuig in de toekomst als pleziervaartuig wordt gebruikt.

2.5.1. Nu het vaartuig, zoals hiervoor onder 2.4.1 is overwogen, als een object in de zin van artikel 2.2.1, aanhef en onder e, van de Vhb dient te worden aangemerkt en aan [appellante] geen ontheffing is verleend om daarmee ligplaats in te nemen, is de conclusie dat is gehandeld in strijd met artikel 2.5.2, eerste lid, van de Vhb, zodat het dagelijks bestuur terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.2. Na wijziging bij het besluit op bezwaar luidt de last als volgt: "Gelet op het bovenstaande gelasten wij u om uw object "Appelschuit", "Groenteman" of "MS-Singel" gelegen aan de Singel ter hoogte van nr. 309 te verwijderen en verwijderd te houden, voor zover ligplaats wordt ingenomen in ons beheersgebied." Daarmede is voldoende duidelijk dat de last inhoudt dat de "MS-Singel" in de hoedanigheid van object dient te worden verwijderd. Anders dan [appellante] betoogt, geeft de opgelegde last aan het dagelijks bestuur dan ook niet het recht om bestuursdwang toe te passen ten aanzien van de "MS-Singel" wanneer dit op enig tijdstip de hoedanigheid van pleziervaartuig zou krijgen. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.





Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Neuwahl
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

280-640.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl