Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-
Algemene wet bestuursrecht
artikel 6:13

Datum uitspraak: 09-03-2010
Inhoudsindicatie: Vaststelling van de wegenlegger door Gedeputeerde Staten. Daarop zijn een verbindingspad en zijtak niet opgenomen omdat de paden niet aan te merken als openbare weg. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de paden gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk zijn geweest, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder I, van de Wegenwet. Verklaringen derden. Beroep ongegrond.





Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht

registratienummers AWB 08/640 en AWB 08/670

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 9 maart 2010

inzake

[O] en [B], eisers,
wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. R.H.A. ter Huurne,
de Stichting Hippisch Platform Epe, eiseres,
gevestigd te Epe,

tegen

het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland, verweerder,

alsmede

[GW] en [CW], partijen ex artikel 8:26 van de Awb,
te [woonplaats].





1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 22 november 2007.





2. Procesverloop
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe heeft bij besluit van 13 juni 2006 het ontwerp van de nieuwe wegenlegger van de gemeente Epe vastgesteld en het ontwerp, vergezeld van de naar voren gebrachte zienswijzen en een oordeel van het college daaromtrent, toegezonden aan verweerder.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de nieuwe wegenlegger vastgesteld.

Tegen dit besluit zijn beroepen ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 8 februari 2008 heeft [GW] en bij schrijven van 25 februari 2008 heeft [CW] zich gesteld als partij in de gedingen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 12 mei 2009. Eiser [O] is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. R.H.A. ter Huurne. De Stichting Hippisch Platform Epe (verder te noemen: de Stichting) is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.W.A.M. Berbe. De partijen ex artikel 8:26 van de Awb zijn in persoon verschenen. [GW] werd bijgestaan door [S].

De zaken zijn ter zitting aangehouden, ten einde partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil via mediation op te lossen. Er is geen oplossing bereikt, waarna de rechtbank het vooronderzoek in de zaken heeft voortgezet. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb om nader onderzoek ter zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft daarop het onderzoek in beide zaken gesloten.





3. Overwegingen
3.1 Naar aanleiding van het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe opgestelde ontwerp-besluit inzake de wegenlegger heeft eiser [O] met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb bij het college van burgemeester en wethouders een zienswijze naar voren gebracht. Daarin heeft eiser te kennen gegeven dat het pad dat de verbinding vormt tussen de Oranjeweg en de Westendorperheideweg (hierna: het verbindingspad), alsmede een zijtak daarvan, liggende ten noorden van zijn perceel, ten onrechte niet in de ontwerp-wegenlegger is opgenomen. In het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt van het college van burgemeester en wethouders ter zake gehandhaafd.

Eisers hebben zich, al dan niet onder aanvoering van verklaringen van derden, erop beroepen dat de paden gebruikt worden door ruiters, wandelaars en fietsers en als zodanig voor een ieder toegankelijk zijn (geweest). Eisers [O] en [B] willen met het beroep bereiken dat zij vrijelijk van hun perceel [1] via de zijtak en de verbindingsweg de Westendorperheideweg kunnen bereiken.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verbindingspad en de zijtak (hierna ook aan te duiden als: de paden) niet zijn aan te merken als een openbare weg, aangezien deze niet op de wegenlegger van de gemeente Epe, zoals vastgesteld in 1975, voorkomen.
Voorts heeft verweerder onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het standpunt dat de beide paden gedurende 30 achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk zijn geweest. Ten slotte heeft verweerder geconstateerd dat de rechthebbenden op de beide paden daaraan niet de bestemming van openbare weg hebben gegeven.

De derde partijen hebben zich, eveneens onder aanvoering van verklaringen, erop beroepen dat de paden slechts door de rechthebbenden werden gebruikt, alsmede door landbewerkers van de betrokken percelen.

situatie
3.2 Het verbindingspad (perceel [2]) is in eigendom van [GW]. In het verlengde daarvan loopt een vervolgpad over het perceel [3] (ook eigendom van [GW]).
De zijtak loopt over het perceel van [CW] (2660) en dient als verbindingsweg om van het agrarisch perceel [4], voorheen van [GW], naar de Westendorperheideweg te gaan en vice versa.
De zijtak loopt dood: aan het einde, dat wil zeggen bij de noordelijke punt van het perceel van eiser [O], is dit pad afgesloten. Voorheen diende de zijtak ter ontsluiting van de agrarische percelen [4] t/m [5]. Recentelijk zijn de percelen [6] t/m [5] in handen van n eigenaar, [D], gekomen. Dit perceel heeft nu een eigen ontsluiting naar de Westendorperheideweg.
[GW] heeft voorheen van [CW] toestemming gekregen om de zijtak als noodweg te gebruiken om het perceel [4] te bereiken.

wetsvoorschriften
3.3 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.


Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet is een weg openbaar:
I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vr het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;
II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vr het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap;
III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven.

Artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet bepaalt dat het onder I en II bepaalde uitzondering lijdt wanneer, lopende de termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.

Artikel 4, derde lid, van de Wegenwet bepaalt dat dit kenbaar maken kan geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kentekenen.

Artikel 34 van de Wegenwet luidt:
1. Het ontwerp van den legger wordt door Burgemeester en Wethouders opgemaakt.
2. Op de voorbereiding van het ontwerp is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het opgemaakte ontwerp wordt, vergezeld van de naar voren gebrachte zienswijzen en van het oordeel van burgemeester en wethouders daaromtrent, toegezonden aan gedeputeerde staten.

Artikel 35 van de Wegenwet luidt:
1. Gedeputeerde Staten stellen den legger vast al dan niet met afwijking van het door Burgemeester en Wethouders opgemaakte ontwerp.
2. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn af te wijken van het in artikel 34, tweede lid, bedoelde ontwerp, dan is op de vaststelling van de legger afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

ontvankelijkheid
3.4 Eiseres [B] heeft naar aanleiding van het ontwerpbesluit inzake het opgemaakte ontwerp van de legger bij het college van burgemeester en wethouders geen zienswijze naar voren gebracht. Aangezien gesteld noch gebleken is dat haar dat redelijkerwijs niet verweten kan worden, is zij ingevolge artikel 6:13 van de Awb in het beroep niet-ontvankelijk.

3.5 Volgens vaste jurisprudentie moet het bij belangen van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb gaan om een aan de statutaire doelstelling ontleend collectief belang, dat door een besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast. Verder is relevant de vraag of dit belang ook blijkens de feitelijke werkzaamheden van de rechtspersoon door hem in het bijzonder wordt behartigd (zie bijv. Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 25 februari 2009, LJN: BH4000).

De Stichting is opgericht op 3 december 2007, dus na de bekendmaking van het bestreden besluit.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van de statuten heeft de Stichting ten doel het bundelen van de kennis en ervaring van alle disciplines van de paardensector, ter behartiging van de belangen van deze sector en ondersteuning van de huidige en toekomstige hippische activiteiten in de gemeente Epe, alsmede het benadrukken van de recreatieve, landschappelijke en economische belangen die hiermee samenhangen.
Op grond van het tweede artikellid heeft de Stichting voorts ten doel het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

Uit de, niet weersproken, brief van de Stichting van 27 juli 2008 is de rechtbank gebleken dat de Stichting haar statutair belang blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt, doordat zij gesprekspartner van de gemeente Epe is op diverse met de paardensport samenhangende gebieden.
Gelet hierop kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden beschouwd.

3.6 Evenals eiseres [B] heeft de Stichting naar aanleiding van het ontwerpbesluit inzake het opgemaakte ontwerp van de legger bij het college van burgemeester en wethouders van Epe geen zienswijze naar voren gebracht. Aangezien de Stichting toen nog niet bestond kan haar dat redelijkerwijs niet verweten worden, zodat er geen aanleiding is haar met toepassing van artikel 6:13 van de Awb in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

inhoudelijk
3.7 Niet in geschil is dat de paden niet voorkomen op de voorheen vigerende wegenlegger. Verweerder heeft de wegenlegger vastgesteld zonder de betreffende paden daarin op te nemen, aangezien verweerder, evenals het college van burgemeester en wethouders bij de vaststelling van het ontwerp-besluit inzake de wegenlegger, op het standpunt staat dat de betreffende paden niet openbaar zijn.
Daarom rustte op eiser [O] en de Stichting de bewijslast aannemelijk te maken dat de paden wel openbaar zijn geworden, ondanks dat de paden door het college van burgemeester en wethouders nooit als openbare wegen zijn beschouwd en niet op de wegenlegger zijn vermeld.
In dit geval houdt dat in dat deze eisers aannemelijk moeten maken dat de paden gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk zijn geweest (artikel 4, eerste lid, onder I, van de Wegenwet).

3.8 Naar het oordeel van de rechtbank zijn eiser [O] en de Stichting daarin niet geslaagd.
De Stichting heeft in het geheel geen verklaringen van derden aangevoerd.
De door eiser [O] aangevoerde verklaringen van [A] en [B], die slechts betrekking hebben op de zijtak, getuigen onvoldoende van de toegankelijkheid hiervan voor een ieder, aangezien deze personen slechts hebben verklaard dat aangrenzende eigenaren of pachters en bewoners van aanliggende percelen van het pad gebruik maakten en er geen belemmering of bebording was aangebracht.

Hangende beroep heeft eiser [O] een veertiental verklaringen ingestuurd, die voornamelijk betrekking hebben op het verbindingspad. Deze verklaringen zijn zodanig algemeen en globaal opgesteld, dat op basis daarvan niet een onafgebroken periode van dertig jaren kan worden geduid waarin de paden voor een ieder vrij toegankelijk zijn geweest. De meeste van deze verklaringen zijn van zogenoemde nieuwkomers, personen die in de circa afgelopen 10 jaren in de omgeving zijn komen wonen, die met betrekking tot het verder terug gelegen verleden hebben verklaard over wat zij van horen zeggen hebben vernomen. Voor zover uit die verklaringen blijkt dat recreanten van een nabij gelegen camping van het verbindingspad gebruik maakten, is dat te onbepaald om te concluderen tot dertig achtereenvolgende jaren van toegankelijkheid voor een ieder.

Veel personen onder het veertiental dat een verklaring heeft afgelegd, hebben overigens verklaard bij gelegenheid met paard (en wagen) over het verbindingspad te hebben gereden.
Door de omstandigheid dat eiser kennelijk juist met het oog op de door hem uitgeoefende menbezigheid de openbaarheid van de paden voorstaat, komen deze verklaringen in een bepaald daglicht te staan, terwijl daarnaast moet worden geconstateerd dat het incidenteel gebruik van de paden met paard (en wagen) nog niet tot de conclusie leidt dat de paden dus gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk zijn (geweest).

Daar tegenover staan door de derde partijen ingebrachte verklaringen van bewoners, veelal van omliggende percelen, die reeds tientallen jaren ter plaatse wonen of tientallen jaren ter plaatse het land hebben bewerkt en hebben verklaard dat zij nooit mensen gebruik hebben zien maken van de paden, anders dan buurtbewoners van omliggende percelen en landbewerkers.

3.9 Het door eiser [O] overgelegde kaartmateriaal is voorts onvoldoende voor de conclusie dat het verbindingspad en de zijtak reeds lange tijd deel zouden uitmaken van de plaatselijke infrastructuur. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan deze kaarten, waarop de wegen als een naamloze streep zijn aangegeven, niet de conclusie worden verbonden die eiser daaraan verbonden wil zien.

3.10 Gelet op het voorgaande hebben eiser [O] en de Stichting niet aan de op hen rustende bewijslast voldaan aan te tonen dat de paden openbaar zijn geworden op een wijze als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder I, van de Wegenwet.
Daarnaast kan overigens worden betwijfeld of de paden als weg in de zin van de Wegenwet zouden zijn te beschouwen, aangezien de paden, zowel het verbindingspad als de zijtak, die beide met gras zijn overwoekerd, veeleer een toegang lijken te bieden voor de aanliggende landbouwpercelen, dan dat daaraan een algemene verkeersfunctie toekomt.

conclusie en proceskosten
3.11 Op grond van het vorenstaande zijn de beroepen deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond. Het bestreden besluit kan in stand blijven.

Eisers en de derde partijen hebben verzocht om vergoeding van de door hen gemaakte kosten van rechtsbijstand.
De rechtbank ziet geen aanleiding met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in enige proceskosten.

3.12 [CW] heeft daarnaast verzocht eisers te veroordelen in de door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand, onder meer met betrekking tot het bij het college van burgemeester en wethouders naar voren brengen van zijn zienswijze en op de periode daaraan voorafgaand.

Veroordeling van eisers in de door [CW] gemaakte kosten in deze procedure kan op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb slechts plaats vinden in geval van kennelijk onredelijk gebruik door eisers van procesrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake.

Vergoeding van niet in deze procedure gemaakte kosten van rechtsbijstand is niet aan de orde, aangezien het bestreden besluit daarover niets behelst en [CW] geen beroep heeft ingesteld. Het verzoek van [CW] wordt daarom afgewezen.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.





4. Beslissing
De rechtbank

verklaart het beroep van eiseres [B] niet-ontvankelijk;
verklaart de beroepen van eiser [O] en de Stichting voor het overige ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van Gijn, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De griffier,De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 9 maart 2010

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 9 maart 2010

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl