Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-
Algemene wet bestuursrecht
artikel 6:15

LJN: BM1754,Voorzitter Raad van State , 201002090/2/M2

Datum uitspraak: 12-04-2010
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college aan [verzoekster] aanwijzingen als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Wet bodembescherming gegeven met betrekking tot verontreinigingen op de [locatie] te [plaats].





Uitspraak

201002090/2/M2.
Datum uitspraak: 12 april 2010

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder.




1. Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college aan [verzoekster] aanwijzingen als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Wet bodembescherming gegeven met betrekking tot verontreinigingen op de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2010, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft [verzoekster] tevens de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 maart 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door R. Verdegem en M. Bennen, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A.C. Luinge en drs. A. Mayer, zijn verschenen.





2. Overwegingen
2.1. Ter zitting is gebleken dat het bestreden besluit niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het bepaalde in artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht dient tegen het bestreden besluit, anders dan in de rechtsmiddelenclausule bij het besluit is vermeld, bezwaar te worden gemaakt alvorens beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld. Het beroepschrift zal daarom met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden doorgezonden aan het college ter behandeling als bezwaarschrift.

2.2. [verzoekster] voert ter onderbouwing van haar verzoek onder meer aan dat in het bestreden besluit ten onrechte is bepaald dat als saneringsdoelstelling voor de grondwaterverontreiniging met MTBE de herstelwaarde voor MTBE geldt, hetgeen volgens [verzoekster] neerkomt op een waarde van 1 g/l. Volgens [verzoekster] dient als saneringsdoelstelling een waarde van 15 g/l te gelden.

Het college stelt dat met de herstelwaarde voor MTBE in het bestreden besluit een waarde van 15 g/l is bedoeld.

De voorzitter stelt vast dat partijen het eens zijn dat als saneringsdoelstelling voor de grondwaterverontreiniging met MTBE een waarde van 15 g/l dient te gelden, maar van mening verschillen over het antwoord op de vraag of deze waarde uit het bestreden besluit volgt. In het kader van de behandeling van het bezwaar van [verzoekster] tegen het bestreden besluit kan dit nader aan de orde komen. Het college heeft ter zitting naar voren gebracht geen bezwaar te hebben tegen schorsing van het bestreden besluit tijdens de behandeling van het bezwaar. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.3. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.





3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 19 januari 2010, kenmerk AM0363/02024/J06, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn van zes weken wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.





Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Grinsven voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2010

462.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl