Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BM7728, Raad van State , 200906989/1/H1

Datum uitspraak:
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 8 mei 2008 heeft het college aan Verenigde Apotheken Limburg vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van een pand tot een medisch centrum op het perceel Burgemeester Waszinkstraat 2 te Heerlen (hierna: het perceel).





Uitspraak

200906989/1/H1.
Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats], (hierna: [appellanten A]), de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mediveen Groep Nederland B.V., gevestigd te Utrecht, (hierna: Mediveen) en de [appellant C] en [appellant D], gevestigd te [plaats], tevens handelend onder de naam [bedrijf],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 juli 2009 in zaken nrs. 08/896 en 08/939 in het geding tussen:

[appellanten A] en Mediveen

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen
(hierna: het college).





1. Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2008 heeft het college aan Verenigde Apotheken Limburg vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van een pand tot een medisch centrum op het perceel Burgemeester Waszinkstraat 2 te Heerlen (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 29 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten A] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door Mediveen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten A], Mediveen en [bedrijf] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Verenigde Apotheken Limburg een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2010, waar [appellanten A], Mediveen en [bedrijf], vertegenwoordigd door mr. M. van Harten, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door W.A.A. Buttolo, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Verenigde Apotheken Limburg, vertegenwoordigd door mr. E.H.C.K. Reijans, advocaat te Echt, als partij gehoord.





Overwegingen

2.1. Voor zover het hoger beroep tevens is ingediend door [bedrijf], stelt de Afdeling vast dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 8 mei 2008. Er is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat dit redelijkerwijs niet aan haar kan worden verweten. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang met artikel 6:24 van die wet, dient haar hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. Het bouwplan voorziet in het gedeeltelijk veranderen van een voormalig kerkgebouw tot een medisch centrum met een praktijk van drie huisartsen en een apotheek.

2.3. Ingevolge het ten tijde van belang geldende bestemmingsplan "Douve Weien 1984" rust op het perceel de bestemming "Welzijnsverzorging Klasse WGV Godsdienstige doeleinden". Het bouwplan is hiermee in strijd. Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college vrijstelling verleend met toepassing van het destijds geldende artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

2.4. Ingevolge deze bepaling kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieŽn van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.5. [appellanten A] en Mediveen betogen dat de rechtbank ten onrechte de door het college aan de rechtbank doorgezonden bezwaarschriften als beroepschriften heeft aangemerkt. Zij wijzen er in dit verband op dat in de rechtsmiddelenclausule onder het ontwerpbesluit en onder het besluit van 8 mei 2008 staat vermeld dat bezwaar kan worden gemaakt. Voorts voeren zij aan dat het feit dat bij het ter inzage leggen van het ontwerp bouwtekeningen zijn gevoegd niet betekent dat de bouwvergunning ook met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is voorbereid en verwijzen daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2009, in zaaknrs. 200808962/1/H1 en 200808962/2/H1.

2.5.1. Dit betoog faalt. In de publicatie van het ontwerpbesluit staat in het overzicht van de ontwerpbesluiten vermeld "het verbouwen van een pand tot medisch centrum", waaruit kan worden opgemaakt dat het ontwerpbesluit ook betrekking heeft op het bouwen. Voorts is het ontwerpbesluit gepubliceerd onder het kopje "Bij deze bouwvergunningen en/of vrijstellingen zijn bijzondere procedures nodig. Zienswijzen mogelijk".

In de aanhef van het ontwerpbesluit staat "verlenen bouwvergunning met vrijstelling". De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hieruit blijkt dat het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning feitelijk met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is voorbereid als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat rechtstreeks beroep bij de rechtbank open stond. Dat in de rechtsmiddelenclausule van het ontwerpbesluit en het besluit van 8 mei 2008 abusievelijk is vermeld dat tegen deze besluiten bezwaar kan worden gemaakt, maakt, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, niet dat afdeling 3.4 van de Awb niet zou zijn toegepast. Voorts is in voormelde uitspraak van de Afdeling een andere situatie aan de orde, omdat bij de publicatie in het plaatselijk weekblad daar alleen stond dat het college een aanvraag om vrijstelling heeft ontvangen en het voornemen bestond op die aanvraag positief te beschikken.

2.6. [appellanten A] en Mediveen betogen vervolgens dat de rechtbank [appellanten A] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.6.1. Het betoog slaagt. De zienswijze is door [appellanten A] op eigen naam gesteld en ondertekend, met daaronder [bedrijf]. Hieruit valt niet af te leiden dat [appellanten A] hebben beoogd de zienswijze namens [bedrijf] in te dienen.

Zij hebben vervolgens op eigen naam van (mede)eigenaren van het pand waarin het centrum is gevestigd, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het door [appellanten A] ingestelde beroep dan ook ten onrechte

niet-ontvankelijk verklaard.

2.6.2. Het hoger beroep van [appellanten A] en Mediveen is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het beroep van [appellanten A] daarbij niet-ontvankelijk is verklaard. Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de overige door [appellanten A] bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen. Aangezien die beroepsgronden en de hogerberoepsgronden van [appellanten A] en Mediveen van nagenoeg gelijke strekking en inhoud zijn, zullen deze gronden hieronder tezamen worden besproken.

2.7. [appellanten A] en Mediveen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de goede procesorde zich verzet tegen een beoordeling van de door Mediveen eerst ter zitting aangevoerde grond dat de bouwvergunning wat de plaats van de in- en uitrit betreft niet is verleend conform de aanvraag. Volgens hen is deze beroepsgrond gebaseerd op feiten die reeds voorafgaand aan de zitting bij het college bekend konden zijn.

2.7.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de eerst ter zitting door Mediveen aangevoerde grond van dien aard is dat het college hier niet adequaat op heeft kunnen reageren, waardoor zijn procesvoering onredelijk is bemoeilijkt en dat niet is gebleken dat zij deze grond niet eerder in de procedure heeft kunnen aanvoeren. In dit verband is van belang dat Mediveen reeds op 6 augustus 2008 een aanvullend beroepschrift heeft ingediend en dat de zitting bij de rechtbank pas op 6 mei 2009 heeft plaatsgevonden.

2.8. [appellanten A] betogen in beroep en met Mediveen in hoger beroep, dat is miskend dat aan de vrijstelling geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Zij voeren daarbij aan dat ten tijde van de voorbereiding van het besluit van 8 mei 2008 een nieuw bestemmingsplan "Heerlen Zuid" in voorbereiding was en dat de bestemming op het perceel op dat moment ten behoeve van het bouwplan had kunnen worden aangepast, doch dat desondanks is gekozen voor de bestemming "Dienstverlening en Kantoor Dv+K", waarin het bouwplan niet past.

Voorts voeren zij aan dat met het bouwplan niet wordt voldaan aan het uitgangspunt van de provincie dat ruimtelijk gezien spreiding van medische voorzieningen gewenst is. Tenslotte voeren zij aan dat het college onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat behoefte bestaat aan een medische voorziening op het perceel, gelegen in de nabije omgeving van de apotheek geŽxploiteerd door Mediveen en van [bedrijf].

2.8.1. Het betoog faalt. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de inbreuk van het bouwplan op de planologische situatie gering is, omdat het hier een bestaand, voormalig kerkgebouw betreft, waarvoor reeds eerder vrijstelling is verleend voor het gebruik als fotostudio, laatstelijk als kantoor. Aan de buitenkant verandert er niets aan het pand. Alleen inpandig dienen constructieve wijzigingen aangebracht te worden. Daarom hoeven aan de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan minder zware eisen worden gesteld. Voorts sluit een medisch centrum aan bij de in het bestemmingsplan opgenomen bestemming voor dienstverlening. Het uitgangspunt van de provincie, zo al van belang, staat aan de vrijstelling niet in de weg. In wat [appellanten A] en Mediveen hebben aangevoerd zijn ten slotte geen aanknopingspunten te vinden voor de verwachting dat ook als er sprake zou zijn van overaanbod en mogelijk sluiting van bestaande voorzieningen, er onvoldoende medische voorzieningen in de woonwijk zullen overblijven. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het college meer inzicht had moeten geven in de behoefte aan een medische voorziening op het perceel. De rechtbank heeft, gelet op het vorenstaande, met juistheid overwogen dat de ruimtelijke onderbouwing de vrijstelling kan dragen.

2.9. Het beroep van [appellanten A] is ongegrond.

De aangevallen uitspraak dient, voor zover dit niet betreft de niet-ontvankelijk verklaring van [appellanten A], te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.11. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellanten A] en Mediveen betaalde griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.





3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingediend door [bedrijf], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep, voor zover ingediend door [appellanten A] en Mediveen, gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 juli 2009 in zaken nrs. 08/896 en 08/939, voor zover het beroep van [appellanten A] niet-ontvankelijk is verklaard;

IV. verklaart het beroep van [appellanten A] ongegrond;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellanten A] en Mediveen vergoedt het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van Ä 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep.





Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Soede
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

270-564.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl