Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BM8782,Voorzitter Raad van State , 201004920/1/M2

Datum uitspraak: 14-06-2010
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 16 april 2010 heeft het college aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden binnen de aan de [locatie] te [plaats] gelegen inrichting van voorschrift 7.4 van de milieuvergunning van 25 april 2000.





Uitspraak

201004920/1/M2.
Datum uitspraak: 14 juni 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.





1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2010 heeft het college aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden binnen de aan de [locatie] te [plaats] gelegen inrichting van voorschrift 7.4 van de milieuvergunning van 25 april 2000.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2010, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoekster] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 mei 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, en H.P.B. van Zandwijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. U.A.E. Arnhold en mr. E.M. Jansen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.





2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van [verzoekster] te kennen gegeven dat deze mede namens [verzoekster] bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden besluit en daarvan schorsing heeft gevraagd. De voorzitter gaat er vooralsnog vanuit dat [verzoekster] in deze heeft gehandeld namens [verzoekster]

2.2. Het college heeft aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van voorschrift 7.4 van de milieuvergunning van 25 april 2000. Dit voorschrift bepaalt dat op het terreingedeelte langs Willeskop binnen een afstand van 30 meter, gerekend vanaf de as van deze weg, geen units en/of containers mogen worden opgeslagen.

2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding van vergunningvoorschrift 7.4, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [verzoekster] betoogt dat het college ten onrechte is overgegaan tot handhaving van vergunningvoorschrift 7.4. Hiertoe voert zij onder meer aan dat het college dit voorschrift niet eerder heeft gehandhaafd, terwijl de overtreding hiervan reeds sinds verlening van de milieuvergunning in 2000 plaatsvindt. Volgens [verzoekster] bestaat er een concreet zicht op legalisatie nu zij op 8 december 2009 een aanvraag voor een revisievergunning heeft ingediend. Daarnaast betoogt zij dat vergunningvoorschrift 7.4 is voorgeschreven in verband met mogelijke visuele hinder voor een woning die niet langer bestaat en kan derhalve het vergunningvoorschrift volgens haar bij de nieuw te verlenen revisievergunning komen te vervallen.

2.5.1. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat niet van een concreet zicht op legalisatie kan worden gesproken, omdat hij voornemens is opnieuw een voorschrift overeenkomstig vergunningvoorschrift 7.4 aan de te verlenen revisievergunning te verbinden.

2.5.2. [verzoekster] heeft op 8 december 2009 een aanvraag om een revisievergunning ingediend. Het college heeft nog geen ontwerpbesluit op deze aanvraag genomen, omdat de aanvraag daartoe nog aanvulling behoeft.

2.5.3. Naar het oordeel van de voorzitter is vooralsnog onzeker of al dan niet een met vergunningvoorschrift 7.4 in essentie overeenkomend voorschrift in het belang van de bescherming van het milieu aan de revisievergunning moet worden verbonden. De redenen waarom dat zou moeten gebeuren kunnen wellicht in de beslissing op bezwaar aan de orde komen. Het bestreden besluit geeft daarover geen indicatie.

De voorzitter neemt in aanmerking dat ter zitting niet is gebleken van zodanige dringende belangen, waaronder mede begrepen enerzijds het belang van de bescherming van het milieu en anderzijds de bedrijfseconomische gevolgen van voldoening aan de last, dat het noodzakelijk is deze activiteiten die tot het bestreden besluit lange tijd ongemoeid zijn gelaten, onverwijld te beŽindigen.

De voorzitter ziet, na afweging van de betrokken belangen, in afwachting van het besluit op bezwaar, aanleiding de hierna volgende voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.





3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 16 april 2010 met kenmerk 808269D5 tot zes weken na dagtekening van het besluit op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van Ä 896,55 (zegge: achthonderdzesennegentig euro en vijfenvijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van Ä 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.





Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Drouen
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2010

375-648.

-
-
WWW.UWWET.nl
2011. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl