Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-

- rechtspraak

LJN: BM7767, Raad van State , 200908003/1/M1

Datum uitspraak: 16-06-2010
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) (oud) opgelegd ter zake van overtreding van de op 5 november 1996 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning voor haar inrichting op het adres [locatie] te Nederweert.





Uitspraak

200908003/1/M1.
Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Nederweert,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert,
verweerder.





1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) (oud) opgelegd ter zake van overtreding van de op 5 november 1996 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning voor haar inrichting op het adres [locatie] te Nederweert.

Bij besluit van 29 augustus 2009, verzonden op 8 september 2009, heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 31 maart 2009, voor zover dit strekt tot het opleggen van de last onder dwangsom, herroepen en opnieuw een last onder dwangsom opgelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 november 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.M.J.G. Neelis, R. David en J. Richter, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.G.M. Snijders, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.





2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2009 is de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) in werking getreden. Ingevolge artikel IV van deze wet blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. Dit betekent dat het nieuwe recht niet van toepassing is op het huidige geding.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd van Ä 2.000,00 per week dat wordt gehandeld in strijd met voorschrift 6.3, verbonden aan de milieuvergunning van 5 november 1996, met een maximum van Ä 20.000,00. Deze dwangsom wordt verbeurd indien niet binnen een termijn van vier maanden na de verzenddatum van het besluit conform voorschrift 6.3 door [appellante] een geluidscherm is aangebracht; op de tekening behorende bij dit besluit is de locatie van het geluidscherm aangegeven.

2.3. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb (oud) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.4. Aan de aan [appellante] verleende milieuvergunning van 5 november 1996 zijn, voor zover hier van belang, de volgende voorschriften verbonden.

In voorschrift 14.1 is bepaald dat binnen 12 maanden na het van kracht worden van de beschikking er een toegang tot de inrichting voor vrachtauto's aan de noordelijke erfgrens van de inrichting dient te zijn gerealiseerd.

In voorschrift 6.1 is bepaald dat de geluidniveaus voor het equivalente geluidniveau en het piekgeluidniveau veroorzaakt door de inrichting ter plaatse van de aangegeven immissiepunten niet meer mag bedragen dan in dit voorschrift is bepaald.

In voorschrift 6.2 is bepaald dat na het verplaatsen van de inrit en de weegbrug als bedoeld in voorschrift 14.1 en na het doortrekken van het geluidscherm als bedoeld in voorschrift 6.3 het equivalente geluidniveau veroorzaakt door de inrichting ter plaatse van de aangegeven immissiepunten niet meer mag bedragen dan in dit voorschrift is bepaald.

In voorschrift 6.3 is bepaald dat binnen 6 maanden na het verplaatsen van de inrit en de weegbrug als bedoeld in voorschrift 14.1 het geluidscherm moet zijn doorgetrokken (verlengd naar de oostgevel, evenwijdig aan de Nieuwstraat, naar de oostgevel van de verzinkerij). De uitbreiding van het geluidscherm dient een minimale massa van 20 kg/m≤ en een minimale hoogte van 6 meter te hebben. In de plaats van het geluidscherm mag, na goedkeuring door burgemeester en wethouders, een andere voorziening/bouwwerk worden getroffen/opgericht die vergelijkbaar geluidreducerende effecten heeft. Het aanwezige (bestaand en uitbreiding) geluidscherm mag geen kieren vertonen.

2.5. [appellante] voert aan dat het college in het bestreden besluit niet is ingegaan op alle door haar aangevoerde bezwaren. Volgens [appellante] heeft het college ten onrechte geen aandacht besteed aan haar betoog in bezwaar dat geen overtreding van de geluidnormen plaatsvindt.

De Afdeling overweegt dat het college in het bestreden besluit heeft verwezen naar het advies van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Nederweert van 31 juli 2009. Dit advies maakt deel uit van het bestreden besluit. In het advies wordt ingegaan op de vraag of de geluidvoorschriften worden overtreden. De omstandigheid dat [appellante] zich niet kan verenigen met het standpunt van de commissie bezwaarschriften hieromtrent, doet niet af aan het feit dat in het bestreden besluit is gereageerd op het aangevoerde bezwaar.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellante] voert aan dat de overtreding bij het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom van 28 oktober 2008 op een ander voorschrift was gebaseerd dan aan het primaire en het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Volgens [appellante] had zij daarom voorafgaand aan de oplegging van de last onder dwangsom opnieuw in de gelegenheid moeten worden gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. Doordat dit niet is geschied, heeft het college volgens [appellante] gehandeld in strijd met artikel 4:8 van de Awb.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het op basis van de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 11 maart 2009 in zaak nr. 200900907/1 en 200900907/2 was gehouden om uiterlijk 31 maart 2009 een besluit te nemen. Voorts betoogt het college dat met [appellante] vele gesprekken en overleggen waren gevoerd, zodat voldoende duidelijk was wat de zienswijze van [appellante] was.

2.6.2. In artikel 4:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, het die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. de gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.


2.6.3. Bij brief van 28 oktober 2008 heeft het college aan [appellante] meegedeeld voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen wegens overtreding van de aangevraagde en verleende Wet milieubeheervergunning, voorschrift 6.2 (geluidnormen) en voorschrift 6.3 (zorg dragen dat het bestaande geluidscherm geen kieren bevat). In dit kader is [appellante] in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen.

Bij het primaire en het bestreden besluit is een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 6.3 (het geluidscherm is niet doorgetrokken). Voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit heeft het college [appellante] niet nogmaals in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. Op 22 juni 2009 heeft de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften plaatsgevonden. Uit het verslag van de hoorzitting volgt dat Neelis, als gemachtigde van [appellante], is gehoord. Een eventueel verzuim is in dit geval genoegzaam hersteld door het horen [appellante] in het kader van de bezwaarschriftprocedure. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij is benadeeld als gevolg van het niet nogmaals horen alvorens het primaire besluit werd genomen.

De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellante] voert aan dat handhaving van voorschrift 6.3 onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. In dit verband betoogt [appellante] dat het uitbreiden van het geluidscherm zoals bedoeld in voorschrift 6.3 niet nodig is, aangezien ook zonder het treffen van deze maatregel reeds wordt voldaan aan de in voorschrift 6.1 en 6.2 gestelde geluidgrenswaarden. Voorts betoogt [appellante] dat de bouw van het geluidscherm op grond van de nieuwe, op 17 februari 2009 verleende, revisievergunning niet is vereist, zodat het nut van het scherm, dat er volgens [appellante] hoe dan ook niet is, van zeer korte duur zou kunnen zijn.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat uit het geluidonderzoek van Bureau HMAO van maart 2009 (hierna: het geluidonderzoek) volgt dat de geluidgrenswaarden uit voorschrift 6.2 worden overschreden. Teneinde aan deze geluidgrenswaarden te kunnen voldoen, dient [appellante] volgens het college de in voorschrift 6.3 voorgeschreven geluidreducerende voorziening te treffen. Het college betoogt dat het middelvoorschrift 6.3, hoewel het samenhangt met voorschrift 6.2, een zelfstandige grondslag kan vormen voor handhaving. Verder voert het college aan dat de vergunning van 17 februari 2009 ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet onherroepelijk was, omdat tegen het besluit tot vergunningverlening beroep was ingesteld. Volgens het college is handhavend optreden in dit geval dan ook niet onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2.7.2. Niet in geschil is dat een geluidreducerende maatregel als voorgeschreven in voorschrift 6.3 niet is getroffen. Gelet hierop handelde [appellante] in strijd met dit voorschrift, zodat het college bevoegd was om handhavend op te treden.

2.7.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.4. Ter zitting is vastgesteld dat, blijkens tabel 3 van het geluidonderzoek van maart 2009, de geluidgrenswaarden van voorschrift 6.2 werden overschreden. Het betoog van [appellante] dat het uitbreiden van het geluidscherm zoals bedoeld in voorschrift 6.3 niet nodig is, omdat werd voldaan aan de waarden van voorschrift 6.2, mist derhalve feitelijke grondslag.

Bij besluit van 17 februari 2009 is voor de inrichting een revisievergunning verleend die de voortzetting van het bedrijf in een andere opzet betreft, waarbij het doortrekken van het geluidscherm niet wordt voorgeschreven. Tegen dit besluit is echter bij de Afdeling door omwonenden beroep ingesteld, waarvan de uitkomst ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet duidelijk was. Daarnaast heeft [appellante] verklaard dat de bouw van het bedrijf in de nieuwe opzet nog tot het najaar van 2011 zal duren. Het college behoefde er dan ook niet van uit te gaan dat de overtreding op korte termijn zou worden beŽindigd en spoedig volgens de nieuwe bedrijfsopzet zou worden gewerkt.

Onder deze omstandigheden heeft het college op goede gronden geconcludeerd dat handhaving van voorschrift 6.3 niet zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoort te worden afgezien.

2.8. [appellante] voert aan dat zij niet aan de last kan voldoen, aangezien realisering van het geluidscherm ertoe leidt dat zij in strijd handelt met de vigerende gebruiksvergunning van 27 september 2007, volgens welke op de plaats van het beoogde geluidscherm een vrije doorgang voor de brandweer aanwezig dient te blijven in verband met calamiteiten.

2.8.1. Het college betoogt dat in de vigerende gebruiksvergunning is uitgegaan van de actuele situatie zonder geluidscherm. Dat wil echter nog niet zeggen dat voor een verplaatsing van de vrije doorgang geen gebruiksvergunning kan worden verleend, aldus het college.

2.8.2. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor de inrichting niet een gebruiksvergunning kan worden verleend, als de vrije doorgang voor de brandweer naar een andere plaats binnen de inrichting wordt verplaatst. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de last niet uitvoerbaar zou zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.9. [appellante] voert aan dat de last onvoldoende duidelijk is omschreven. Volgens [appellante] biedt de bij het bestreden besluit gevoegde situatieschets in combinatie met voorschrift 6.3 onvoldoende duidelijkheid over de eisen waaraan het geluidscherm moet voldoen en over de plaats waar het geluidscherm dient te worden gerealiseerd.

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de last voldoende duidelijk is omschreven. Bij het bestreden besluit is een kaart gevoegd waarop is weergegeven waar het geluidscherm dient te worden gerealiseerd, aldus het college. Voorts betoogt het college dat uit voorschrift 6.3 direct volgt dat het geluidscherm een minimale massa van 20 kg/m2 en een minimale hoogte van 6 meter dient te hebben. Daarnaast gaat het om het doortrekken van een bestaand geluidscherm, zodat voor [appellante] voldoende duidelijk is hoe aan voorschrift 6.3 moet worden voldaan, aldus het college.

2.9.2. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat uit voorschrift 6.3 in combinatie met de bij het bestreden besluit gevoegde situatieschets voldoende duidelijk blijkt aan welke eisen het geluidscherm moet voldoen en waar het dient te worden gerealiseerd. Zoals ook ter zitting door het college is te kennen gegeven, betreft het realiseren van het geluidscherm het doortrekken van het bestaande geluidscherm. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de last voldoende duidelijk is omschreven.

De beroepsgrond faalt.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.





Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kuipers
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

271-651.

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl