Logo uwwet.nl wetgeving overwegingen rechter juridische bijstand jurisprudentie uitwerkingen rechtspraak juristen regelgeving uitspraken advocaten besluiten notaris wetten rechtsbijstand rechterlijke beslissingen toelichtingen rechtshulp
www.uwwet.nl is er voor iedereen. Wij bedoelen dan ook iedereen.
Bestudeer uw rechten en plichten op uwwet.nl
-
-
Algemene wet bestuursrecht
artikel 6:13

Datum uitspraak: 14-04-2010
Inhoudsindicatie: Bij besluit van 23 februari 2009, kenmerk 2009/0001667, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Almelo (hierna: de raad) bij besluit van 24 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Almelo Noord-Oost" (hierna: het plan).





Uitspraak

Datum uitspraak: 14 april 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder.





1. Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2009, kenmerk 2009/0001667, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Almelo (hierna: de raad) bij besluit van 24 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Almelo Noord-Oost" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2009, waar [appellanten], bijgestaan door J.E. Eshuis, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door S.S.T. Weertman en L. Snellenberg, beiden werkzaam bij de gemeente.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met het oog op het inwinnen van schriftelijke inlichtingen bij het college. Het college heeft naar aanleiding daarvan een nader stuk in het geding gebracht. [appellanten] en de raad hebben hierop gereageerd.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.





2. Overwegingen
2.1. Het plan voorziet in het realiseren van een nieuwe woonwijk met ongeveer 500 woningen ten noordoosten van Almelo.

2.2. In hun zienswijze hebben [appellanten] bezwaren ingediend ten aanzien van de in het plan voorziene woning achter hun perceel. In hun beroepschrift hebben zij onder meer bezwaren ingediend ten aanzien van geluidhinder en een afnemende luchtkwaliteit als gevolg van het plan en het ten onrechte niet opnemen in het plan van een algemene regeling omtrent het hobbymatig houden van dieren. Het beroep van [appellanten] is aldus ten dele gericht tegen de goedkeuring van het plan in zijn geheel. Het beroep steunt in zoverre niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.
Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. Het beroep van [appellanten], woonachtig aan [locatie], richt zich voorts tegen de voorziene bouw van een woning achter hun eigen woning. [appellanten] betogen dat ten onrechte de nieuw te realiseren woning eerst in de loop van de procedure in het plan is opgenomen en niet was ingetekend op alle kaarten die ter inzage hebben gelegen. Voorts voeren zij aan dat tijdens de inspraakavond te kennen is gegeven dat het perceel achter hun woning niet tot het bestemmingsplan zou behoren. Ten slotte betogen [appellanten] dat met het realiseren van de extra bouwkavel geen rekening is gehouden met de gevolgen die dit zal hebben voor het door hen hobbymatig houden van paarden bij hun woning. Zij achten het niet uitgesloten dat zij zullen worden geconfronteerd met handhavingsmaatregelen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening.

2.4.1. Het college heeft het plan goedgekeurd. Het college stelt zich op het standpunt dat het betreffende perceel, met de daaraan toegekende bebouwingsmogelijkheden, in het ontwerpplan was opgenomen en daarom deel uitmaakt van de bestemmingsplanprocedure. Verder stelt het college dat van bindende toezeggingen door het gemeentebestuur over het onbebouwd blijven van de noordzijde van de Ootmarsumsestraat geen sprake is, nu daarvan geen bewijs is overgelegd. Ten slotte stelt het college dat [appellanten] pas in hun aanvullende bedenkingen, bij brieven van 14 oktober 2008 en 4 november 2008, hebben aangevoerd dat de bouw van een woning achter hun perceel bezwaarlijk is omdat zij paarden houden. Omdat deze aanvullende bedenkingen te laat waren ingediend en een nieuw bezwaar bevatten, heeft het college het bezwaar buiten beschouwing gelaten.

2.4.2. De Afdeling stelt aan de hand van de overgelegde plankaarten van het voorontwerpplan en het ontwerpplan vast dat het betreffende perceel niet was opgenomen op de plankaart van het voorontwerpplan, maar wel op de plankaart van het ontwerpplan. Nu het perceel was opgenomen op de plankaart van het ontwerpplan, maakte dit, gelet op artikel 23 van de WRO, in samenhang met artikel 3:11 van de Awb, van meet af aan deel uit van de bestemmingsplanprocedure.

2.4.3. Met betrekking tot het betoog van [appellanten] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan verwachtingen die zijn gewekt door personen die niet ter zake beslissingsbevoegd zijn. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust bij de gemeenteraad. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het perceel achter hun woning niet tot het bestemmingsplan zou behoren. In dit concrete geval kunnen de tijdens de inspraakavond beweerdelijk gewekte verwachtingen niet worden toegerekend aan de raad. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

2.4.4. In tegenstelling tot hetgeen het college stelt met betrekking tot de aanvullende bedenkingen, dient het in de brieven van 14 oktober 2008 en 4 november 2008 aangevoerde met betrekking tot maatregelen tegen overlast vanwege hun paarden, niet als afzonderlijke bedenking, maar als ondersteuning van de tijdig bij het college naar voren gebrachte bedenkingen tegen de in het plan mogelijk gemaakte bouw van een woning achter het perceel van [appellanten], te worden aangemerkt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college deze bedenkingen in zoverre ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Het college is in het bestreden besluit ook niet anders dan naar aanleiding van de bedenkingen ingegaan op de vraag naar de aanvaardbaarheid van een beperking van de gebruiksmogelijkheden op het perceel van [appellanten]. In zoverre heeft het college het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woongebied" gelegen achter het perceel [locatie], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woongebied", gelegen achter het perceel [locatie].

2.6. Mede gelet op hetgeen door partijen naar voren is gebracht naar aanleiding van de overeenkomstig artikel 8:45 van de Awb verzochte schriftelijke inlichtingen, ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.6.1. Ter zitting is vast komen te staan dat [appellanten] op hun perceel twee dressuurpaarden houden. Voorts is niet in geschil dat op hun perceel paardenstallen aanwezig zijn en er, aangrenzend aan het nieuwe bouwperceel, een paardenbak is waarin de paarden worden getraind. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het geldende bestemmingsplan het houden van paarden op het perceel [locatie] niet belemmert. Het college kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het hier gaat om een relatief landelijk gebied waar het hobbymatig houden van paarden als niet ongebruikelijk kan worden aangemerkt. Dit in aanmerking genomen wordt niet aannemelijk geacht dat het houden van paarden zoals [appellanten] dat thans doen ter plaatse van de geprojecteerde woning als dermate hinderlijk zal worden ervaren dat maatregelen daartegen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening te verwachten zijn. Daarnaast biedt de omvang van het perceel van [appellanten] de ruimte om zonodig hun activiteiten met paarden op enige afstand van het perceel waarop de woning is geprojecteerd uit te oefenen. Gelet op het bovenstaande acht de Afdeling niet aannemelijk dat een woning als voorzien onevenredige beperkingen aan deze activiteiten zal opleggen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.





3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de goedkeuring van het plan in zijn geheel;
II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 23 februari 2009, kenmerk 2009/0001667, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woongebied" met betrekking tot het perceel gelegen achter het perceel [locatie];
IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in zoverre in stand blijven;
V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Ä 43,89 (zegge: drieŽnveertig euro en negenentachtig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;
VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Ä 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.





Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Troost lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010

-
-
WWW.UWWET.nl
Sinds 2009. Alle rechten voorbehouden.

Uwwet.nl